De TU Delft heeft officiële banden met Chinese universiteiten die nauw gelieerd zijn aan het Chinese leger. Experts waarschuwen: “Op sommige gebieden zijn er forse risico’s.”
“China is op een heel ander bord bezig met Go. Een spel met andere regels en andere stukken.” (Illustratie: Liam van Dijk)

De TU Delft heeft officiële banden met Chinese universiteiten die nauw gelieerd zijn aan het Chinese leger. Experts waarschuwen: “Op sommige gebieden zijn er forse risico’s.”

Read in English

Wat ga je lezen?

  • Delftse wetenschappers werken regelmatig samen met Chinese onderzoekers aan technologie die het Chinese leger ten goede kan komen.
  • Met name de samenwerking met vier universiteiten die met drie andere bekend staan als de Seven Sons of National Defence is volgens veiligheidsexperts gevaarlijk vanwege ongewenste kennisoverdracht.
  • De TU heeft geen compleet beeld van haar connecties met Chinese universiteiten.
  • Sommige TU Delft-wetenschappers zouden hun onderzoek met de Seven Sons niet nog een keer doen: “Daarvoor zijn de risico’s te groot.”
  • De TU werkt samen met de Nederlandse overheid en andere universiteiten aan nieuw China-beleid.

Geven universiteiten door hun samenwerkingsverbanden met China niet meer kennis weg dan verstandig is? Wetenschappers en universiteiten worstelen met die vraag nu denktanks en onderzoeksinstituten steeds nadrukkelijker wijzen op de risico’s van gezamenlijk onderzoek met China. Ja, er zijn voordelen te over, zeggen zij. Denk alleen al aan het geld dat Beijing bereid is te steken in onderzoek of de vele grootschalige onderzoeksfaciliteiten die het land telt. Daar kunnen Nederlandse universiteiten alleen maar van dromen. Maar die deskundigen waarschuwen ook voor spionage, ongewenste kennisoverdracht en de nauwe verwevenheid van Chinese universiteiten met de defensie-industrie.
En dan is er de koers van de Chinese president Xi Jinping. Hij droomt ervan om in 2025 technologisch onafhankelijk te zijn van het buitenland en in 2049 het meest geavanceerde leger ter wereld te hebben. Xi maakt er geen geheim van dat China wetenschap moet aanwenden om zich militair te ontwikkelen.

De TU Delft heeft op centraal, facultair en individueel niveau wetenschappelijke contacten met tientallen universiteiten uit alle windstreken van China. Neem de pronkstukken van de TU: de joint research centres met vier Chinese onderwijsinstellingen op het gebied van onder meer watermanagement en duurzame infrastructuur. Onderzoeksterreinen waar de TU in uitblinkt. Meerdere van de Chinese universiteiten waarmee de TU Delft samenwerkt, behoren tot de crème de la crème van de Chinese wetenschap.
Neem de topuniversiteiten die in China bekendstaan onder de parapluterm Seven Sons of National Defense, die stuk voor stuk leidend zijn in hun eigen vakgebied, waaronder luchtvaart, ruimtevaart en maritieme technologie. TU-wetenschappers hebben met alle Seven Sons-universiteiten wetenschappelijke publicaties gedaan en de TU Delft heeft met vier van deze universiteiten nauwere banden, blijkt uit onderzoek van Delta. Logisch voor een universiteit die zich in het buitenland presenteert als het ‘MIT van Europa’.

Banden met het leger
Maar dat is niet het hele verhaal. Volgens Australische en Amerikaanse onderzoekers hebben de Seven Sons namelijk een tweede gezicht. In de China Defense Universities Tracker van Australian Strategic Policy Institute (ASPI) — een denktank die onder meer wordt gefinancierd door het Australische leger — krijgen deze universiteiten het hoogste veiligheidsrisico mee. De Seven Sons vallen onder het ministerie van Industrie en Informatietechnologie (MIIT), dat via de ondergeschikte overheidsorganisatie SASTIND ook toezicht houdt op de Chinese defensie-industrie. Hoewel het officieel civiele universiteiten zijn, hebben ze volgens ASPI nauwe banden met het Chinese leger. Zeker de helft van hun onderzoeksbudget gaat naar militair onderzoek, zoals de ontwikkeling van raketten, gezichtsherkenningstechnologie, militaire vliegtuigen en satellieten.

Uit onderzoek van Delta blijkt dat de TU Delft de afgelopen vijftien jaar op facultair of centraal niveau samenwerkingsovereenkomsten heeft of heeft gehad met vier van die universiteiten:

  • Beihang University, gespecialiseerd in lucht- en ruimtevaart. In 2018 tekende Beihang een strategische samenwerkingsovereenkomst met het staatsbedrijf China Aerospace Science and Technology Corporation (CASC), de hoofdaannemer van het Chinese ruimteprogramma en producent van ballistische raketten en satellieten.
  • Harbin Institute of Technology (HIT), gespecialiseerd in onder meer lucht- en ruimtevaart, satelliet-technologie, IT en robotica. HIT heeft sinds 2008 een joint research centre met CASC.
  • Northwestern Polytechnical University (NPU), gespecialiseerd in lucht- en ruimtevaart, maritieme technologie en bewapening (armaments). Op haar website zegt NPU toegewijd te zijn aan het ‘verbeteren en dienen van de defensietechnologie-industrie.’ De universiteit heeft een dochteronderneming, Aisheng Technology Group Co., Ltd., die zegt 90 procent van de Chinese drones te produceren en het Volksbevrijdingsleger als grootste klant heeft.
  • Beijing Institute of Technology (BIT), gespecialiseerd in bewapening en luchtvaart. BIT zegt zelf China’s eerste lichte tank te hebben geproduceerd.

Het gaat bij elk van deze universiteiten om een of meerdere memoranda van overeenstemming (MOU). De daarin vastgelegd afspraken gaan over studentenuitwisselingen, onderzoekssamenwerking, het uitwisselen van promotieplekken of het gezamenlijk opleiden van personeel en studenten. De Delftse faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek (L&R) voert de lijst aan en heeft overeenkomsten getekend met alle vier de bovengenoemde Seven Sons.

Een bijeenkomst op de Northwestern Polytechnical University. (Bron: Still van Youtube). 

Ook tussen drie andere Seven Sons-universiteiten en de TU Delft is er contact, maar vaak gaat het hier om gezamenlijke publicaties vanuit individuele wetenschappers of onderzoeksgroepen. De TU Delft is overigens niet de enige Nederlandse universiteit die banden onderhoudt met kennisinstellingen zoals de Seven Sons. De Erasmus Universiteit Rotterdam, de Technische Universiteit Eindhoven, Wageningen University, Universiteit Twente en de Rijksuniversiteit Groningen hebben bijvoorbeeld ook MOU’s afgesloten met Seven Sons-universiteiten. Daarnaast hebben de afgelopen jaren zeker 29 Chinese militaire wetenschappers onderzoek gedaan aan de TU Delft. Daarover meer in de tweede aflevering van onze serie over de samenwerking met China.

Onderzoek met militaire toepassingen
Samenwerken met de Seven Sons-universiteiten betekent niet automatisch foute boel, zegt Ingrid d’Hooghe, die voor het Leiden Asia Centre wetenschappelijke samenwerking tussen Europa en China in kaart heeft gebracht. Zo deelt de Defense University Tracker de Seven Sons stuk voor stuk als geheel in als risicovol, terwijl sommige faculteiten van deze universiteiten mogelijk los van dit risico staan. Toch moeten Nederlandse kennisinstellingen voorzichtig zijn, zeggen onderzoekers. d’Hooghe: “Op sommige gebieden zijn er wel degelijk forse risico’s.”
Waar de schoen volgens denktanks als ASPI en
Hoover het meest wringt is dual use-onderzoek dat past binnen strategische beleidsplannen van China. Dual use-wetenschap is onderzoek of technologie met civiele én militaire toepassingen. Waddenonderzoek in China is een mooie kans, maar op bijvoorbeeld het vlak van radartechnologie of drones kan kennis anders gebruikt worden dan Delftse wetenschappers bedoelen. Ongewenste kennisoverdacht, noemen deskundigen dat.  

De TU springt eruit op een aantal terreinen die strategisch belangrijk zijn voor Beijing

Onder de Chinese president Xi Jinping zet Beijing met speciaal beleid steeds nadrukkelijker in op dual use-onderzoek. Voor zijn droom om China te leiden naar het technologisch meest geavanceerde leger ter wereld, kan hij de wetenschappelijke en technologische kennis van universiteiten immers goed gebruiken. Volgens de Amerikaanse overheid is het China van Xi vooral geïnteresseerd in quantumcomputers, big data, halfgeleiders, 5G, geavanceerde nucleaire technologie, ruimtevaarttechnologie en kunstmatige intelligentie. Ook maritieme technologie staat op het Chinese verlanglijstje, stelt de Nederlandse AIVD.

Chinese universiteiten weten volgens d’Hooghe doorgaans goed welke kennis ze waar moet ‘halen’ en gaan daarvoor samenwerkingsverbanden aan op specifieke onderzoeksgebieden. “Daarom heeft de TU Delft zo’n enorme samenwerking met China. De TU springt eruit op een aantal technische terreinen die strategisch belangrijk zijn voor Beijing”, stelt d’Hooghe. Hoewel Delta zich richt op de Seven Sons-universiteiten omdat hier de meeste zorgen over zijn, betekent dat niet dat samenwerking met andere Chinese universiteiten automatisch veilig is. “Alle universiteiten in China hebben sterke banden met de Chinese overheid”, vervolgt d’Hooghe. “Daarom moet je per project een goede afweging maken van de risico’s en de voordelen van samenwerking en daarbij niet alleen kijken naar veiligheidsrisico’s maar ook naar je eigen kennispositie op de lange termijn.”

Om een indruk te krijgen van het soort onderzoek dat Delftse wetenschappers doen met Seven Sons-collega’s, nam Delta 350 wetenschappelijke publicaties onder de loep. Ze zijn merendeels gepubliceerd na 2014. Onderwerpen variëren van gezichtsherkenningssoftware, robotica, vliegtuigmaterialen en -motoren, radartechnologie tot verbeterde lastechnieken. Kennis dus die deels op het militaire verlanglijstje van China staat.

‘Kennis ligt al op straat’
Ook nam de redactie contact op met zestien Delftse auteurs van de 350 publicaties om te vragen hoe zij de kans inschatten dat de door hen ontwikkelde kennis voor militaire doeleinden gebruikt wordt in China. De kennis ligt al op straat, zeggen alle wetenschappers die Delta sprak. Het gaat immers om artikelen in wetenschappelijke tijdschriften waar iedereen bij kan. Dat lijkt niet het hele verhaal. Het Volksbevrijdingsleger haalt meer voordeel uit de samenwerking dan de openbaar gepubliceerde kennis. Chinese wetenschappers leren immers ook onderzoeks- en samenwerkingsvaardigheden en hebben toegang tot niet gepubliceerde ruwe data.

Georg Eitelberg, hoogleraar bij de leerstoel flight performance & propulsion (L&R), windt er in een reactie aan Delta geen doekjes om. Vrijwel elk technologisch onderzoek is volgens Eitelberg te gebruiken voor militaire doeleinden. En dat geldt zeker voor zijn werk. Vorig jaar publiceerde hij met drie collega’s van Beihang University een artikel over het ontwerp van aerodynamischere propellers en vliegtuigvleugels. “Kennis over de aerodynamica van vleugels kan van pas komen bij de ontwikkeling van militaire spionagedrones”, vertelt hij. “En efficiëntere voortstuwingsmethoden kunnen dienen om militaire goederen ver en geruisloos te transporteren.”

‘Ik hou me afzijdig van de implementatie van technieken. Dat is aan industriële partners’

Eitelberg ziet de gevaren, en toch werkt hij al jaren samen met Beihang University. “Ik hou me afzijdig van de implementatie van technieken. Dat is aan industriële partners.” Op dat niveau moet de regulering plaatsvinden, vindt hij.

Dit betekent niet dat de hoogleraar geen scherp oog heeft voor de verhoudingen. “Waar je voor moet uitkijken is dat de andere partij meer leert van jou dan andersom. De balans in onze samenwerking is goed. We werken hard aan stillere propellers en boeken grote vooruitgang. Als ons werk ertoe bijdraagt dat mensen die rondom vliegvelden wonen beter kunnen slapen, profiteert iedereen.”

Samenwerking met militair onderzoeksinstituut
Het onderzoek van Eitelberg is typisch dual use: het is voor civiele toepassingen interessant, maar het zou ook voor militaire doeleinden gebruikt kunnen worden. En dat geldt voor het overgrote deel van de studies dat Delta tegenkwam. Sommige publicaties springen er extra uit. Neem een studie uit 2019 naar de motoren van een supersonisch passagiersvliegtuig, een toestel dat met viermaal de geluidssnelheid (mach 4) vliegt. Voor dit onderzoek, een simulatie van een vliegtuigmotor (een supersonic combustion ramjet of kortweg scramjet), werkte TU-onderzoekster Feijia Yin van de L&R-sectie aircraft noise and climate effects samen met collega’s van Beihang University en met twee andere Chinese onderzoeksinstituten.

‘Voor militaire toepassingen is dit onderzoek naar scramjets zeer interessant’

Danny Pronk, oud-medewerker van de inlichtingendiensten AIVD en MIVD en nu defensie-expert bij Instituut Clingendael, noemt de civiele kant van dit onderzoek flinterdun. “Er wordt al decennia gefilosofeerd over passagiersvliegtuigen die sneller dan het geluid gaan. Maar dat heeft de facto alleen nog maar geleid tot de Concorde, die ‘slechts’ Mach 2 vloog. En dat toestel was niet economisch rendabel. Alle initiatieven zijn gestrand. Een toestel dat Mach 4 gaat, zal in verhouding veel meer brandstof verbruiken. Dat krijg je nooit rendabel. Voor militaire toepassingen is het onderzoek naar scramjets daarentegen zeer interessant.”

De twee andere betrokken onderzoeksinstituten van deze studie hebben volgens onderzoek van Delta banden met het Chinese Volksbevrijdingsleger en de Chinese luchtmacht. Het gaat om de Aero Engine Academy of China en AECC Sichuan Gas Turbine Research Establishment, die allebei vallen onder het Chinese staatsbedrijf Aero Engine Corporation of China, kortweg AECC genoemd. China heeft AECC enkele jaren geleden opgetuigd omdat het kampte met een kennisachterstand op het gebied van krachtige vliegtuigmotoren. Aan AECC en bijbehorende dochterinstituten de taak om een inhaalslag te maken. “Dat is inmiddels gelukt”, zegt Pronk. “Je ziet nu voor het eerst dat gevechtsvliegtuigen van de luchtmacht — zoals de J10 en de J20 — Chinese straalmotoren hebben in plaats van in Rusland aangekochte exemplaren.”  

Zwarte lijst
Vorig jaar plaatste de Amerikaanse overheid acht dochterinstituten van staatsbedrijf AECC op een zwarte lijst: een zogenaamde Military End-User List. Amerikaanse onderzoekers, bedrijven en instituten mogen geen kennis en goederen exporteren naar deze onderzoeksclubs vanwege hun militaire aspiraties. Uit onderzoek van Delta blijkt dat ook de Sichuan Gas Turbine Research Establishment op deze lijst staat, zij het onder een oude naam die de onderzoeksinstelling hanteerde tot en met 2016, toen het nog onder een ander staatsbedrijf viel.
China noemt dit soort lijsten politiek gemotiveerd. Pronk: “Los van wie er in het Witte Huis zetelt, hebben de Amerikaanse veiligheidsdiensten een goed beeld van de dreiging die uitgaat van China op het gebied van kennisveiligheid. Als Nederlandse kennisinstelling is het niet verboden om samen te werken met instituten op de lijst.” Volgens Pronk moet de wetenschap zich afvragen hoe verstandig het is om een instituut met militaire banden te helpen technologische of wetenschappelijke hindernissen te nemen. “Het heeft geo-politieke gevolgen als je het leger van een land vooruit helpt dat zichzelf steeds nadrukkelijker positioneert als rivaal van de westerse wereld.” 

Het andere onderzoeksinstituut, Aero Engine Academy of China, staat niet op de zwarte lijst maar is ook militair van aard. Zo ontdekte de redactie van Delta dat het in 2017 een werkinspectie kreeg, waarbij ook vertegenwoordigers van de luchtmacht aanschoven. Volgens Pronk wijst dit er op dat het instituut banden heeft met de Chinese luchtmacht.

Een slogan op de website van de Aero Engine Corporation of China over het belang van een krachtig leger en het dienen van China door middel van technologie en wetenschap. 

Per mail laat TU-onderzoekster Feijia Yin weten dat ze op dat moment geen kwaad zag in de samenwerking omdat het ‘conceptueel’ onderzoek betrof naar ‘civiele vliegtuigen’ waarbij zij en haar vakgenoten vooral voortborduurden op ‘kennis uit handboeken’. Maar of ze nogmaals samen gaat werken met de AECC Sichuan Gas Turbine Research Establishment nadat we erop hebben gewezen dat het instituut op de zwarte lijst staat? Ze laat weten van niet. Ook Dick Simons, hoogleraar van de L&R-sectie aircraft noise and climate effects, waar Yin werkt, is daar duidelijk over: “Gezien de mogelijke risico’s is dat uitgesloten.” 

Geen sluitend overzicht
Van het op voorhand afwijzen van samenwerkingen op bepaalde gevoelige gebieden, zoals vliegtuigonderzoek, kan volgens rector magnificus Tim van der Hagen geen sprake zijn. “Want dat onderzoek kan ook bijdragen aan de verduurzaming van de luchtvaart. Bovendien is alle technologie op een bepaalde manier toepasbaar in militaire zin. Het is belangrijk dat je weet: ‘wie is mijn partner?’, ‘wie betaalt die partner?’ en ‘wat is de intrinsieke motivatie van die partner?’ Dat is veel belangrijker dan bij iedere technologie uit te gaan vogelen of het misschien misbruikt zou kunnen worden. Het antwoord is namelijk meestal: ja dat kan.”

Om dat soort vragen te beantwoorden, zou het volgens d’Hooghe helpen als universiteiten precies op hun netvlies hebben met wíe ze samenwerken. En dat is niet het geval. De TU heeft wel een overzicht van Chinese onderzoekspartners, maar dat is niet alomvattend. “We hebben geen beeld van alle individuele partnerschappen”, zegt oud-conrector van de TU Delft Peter Wieringa, die nu China-ambassadeur van de TU Delft is. “Wel hebben we redelijk op ons netvlies welke vooraanstaande samenwerkingsverbanden er zijn. Maar ik durf niet met zekerheid te zeggen of dat beeld compleet is.”
In een overzicht dat Delta heeft ingezien, staan wel universiteitsbrede maar niet alle facultaire samenwerkingsovereenkomsten. Ook andere Nederlandse universiteiten hebben geen compleet overzicht van al hun Chinese samenwerkingspartners, schreef de Rijksoverheid in november 2020.

Hulp voor individuele wetenschappers
Zowel Van der Hagen als Wieringa beamen dat er een spanningsveld is tussen vrij en open onderzoek met Chinese wetenschappers enerzijds en de militaire aspiraties van China anderzijds. Volgens rector magnificus Van der Hagen is er een duidelijke kentering in de academische wereld: “Vijf à tien jaar geleden was het mantra nog: ‘China is the place to be’, daar moet je je bij aansluiten. Daar staan wij nu anders in.” Daarbij speelden onderzoeken als die van d‘Hooghe en ASPI een belangrijke rol. Zij hebben Nederlandse universiteiten de afgelopen jaren nadrukkelijk op risico’s van samenwerken met China gewezen. Van der Hagen: “In plaats van de samenwerking alsmaar te stimuleren, moeten we nadrukkelijker kijken of bepaalde samenwerkingen wel passen binnen onze waarden en normen.”

Een gebouw op de campus van Harbin Institute of Technology. (Bron: Still van YouTube). 

In november 2019 nam de TU voor het eerst een Senior Policy Advisor China aan: Peter Gill. Om houvast te bieden aan onderzoekers die twijfelen of ze in zee moeten met Chinese collega’s werkt hij aan de manual ‘Partnering with China — Concrete Tools for TU Delft’ waarin alle stappen staan die je als wetenschapper moet doorlopen. Daarin verwerkt hij onder meer de Checklist for Collaboration with Chinese Universities and Other Research Institutions, die is gemaakt door de dentank The Hague Center for Strategic Studies.
In 2018 is de checklist aan alle Nederlandse universiteiten gestuurd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Universiteit Leiden en de Radboud universiteit Nijmegen heeft de TU Delft deze nog niet eerder breed gedeeld. De TU werkt ook aan andere maatregelen.
Zo is ze is in gesprek met andere universiteiten en drie ministeries om met een gezamenlijk antwoord te komen op de China-kwestie.

Alle wetenschappers die Delta benaderde, zijn het over één ding eens: wetenschappelijk gezien kun je niet om China heen. d’Hooghe en het college van bestuur delen die mening. Maar, zegt defensie-expert Pronk, dan is het wel handig als je weet wat voor spel China speelt. “Wij denken hier in het westen dat China met ons aan het schaken is. Maar China is op een heel ander bord bezig met Go. Een spel met andere regels en andere stukken.”

Door Annebelle de Bruijn en Tomas van Dijk 

Dit artikel is onderdeel van een verhalenreeks over wetenschappelijke samenwerking met China. Lees ook onze andere verhalen:

  • De militairen: over Chinese militaire wetenschappers die in Delft kennis komen opdoen voor het Volksbevrijdingsleger.
  • De weegschaal: vier wetenschappers van de TU Delft vertellen welke afwegingen zij maken in hun samenwerking met Chinese vakgenoten.
  • De geschiedenis: over hoe de kijk op samenwerken met China de afgelopen jaren is veranderd.
  • Onze journalistieke verantwoording: het hoe en waarom van ons China-onderzoek.