Anderstalig zijn is een uitdaging. Columnist Claudia Werker legt uit hoe je anderstalige collega’s een hart onder de riem kunt steken.
Claudia Werker: “Als anderstalige vind ik het onbeleefd als ik iemand in het Nederlands aanspreek en diegene onmiddellijk naar het Engels overschakelt.” (Foto: Sam Rentmeester)

Anderstalig zijn is een uitdaging. Columnist Claudia Werker legt uit hoe je anderstalige collega’s een hart onder de riem kunt steken.

Read in English

Taal is een uitdaging als je in een nieuw land woont of werkt. Tot nu toe hadden we het in onze informele reeks over taal vooral over hoe je jezelf in jouw thuisland voelt als je een andere taal moet gebruiken (Deltacolumnist Bob van Vliet) of voor een korte periode in een ander taalgebied verblijft (Deltacolumnist Monique van der Veen). Maar hoe ziet het er andersom uit? Wat gebeurt er met jouw taal als je emigreert? Ik kan erover meepraten, want sinds twintig jaar schipper ik tussen Duits, Engels, Nederlands en Vlaams Nederlands.

Laat mij met mijn moedertaal beginnen. Elk jaar geef ik een professionele presentatie in het Duits. Gedurende de jaren voelde ik mij hierbij minder en minder talig – en dat terwijl ik mijn hele opleiding inclusief promotieonderzoek in het Duits heb gedaan en nog elke dag Duits spreek. Ik vond het te gek voor woorden dat ik mij in het Duits professioneel niet meer zo gemakkelijk kon uitdrukken. Maar ik vond het ook niet goed om de presentatie dan maar gewoon in het Engels te geven. Tegenwoordig print ik mijn Engelstalige presentatie uit en schrijf ik naast elke vakterm de Duitse vertaling – en soms moet ik die nog opzoeken ook.

In Vlaanderen, waar ik woon, voelde ik mij al zeer snel talig. Na twee weken spoedcursus op een chic taleninstituut kon ik brood bij de bakker kopen, met de buren kletsen en met mijn nieuwe vrienden afspreken. Maar op professioneel vlak viel het tegen. Bij de TU Eindhoven, waar ik toen werkte, bleef de overgrote meerderheid van de collega’s Engels tegen mij praten. Toen ik bij de TU Delft startte, was mijn Nederlands al stukken beter, zodat ik veel meer Nederlands met de collega’s sprak – en zij gelukkig ook met mij. Toch voelde ik mij in een professionele context nog een hele tijd niet op mijn gemak in de Nederlandse taal. Gelukkig had ik een collega (ondertussen onze sectieleider) die met grote liefde voor de Nederlandse en grondige kennis van de Duitse taal woordspelletjes en verhalen in het Nederlands met mij deelde. Gaandeweg voelde ik mij ook in een professionele context meer en meer talig in het Nederlands.

‘Complimentjes geven vraagt fingerspitzengefühl’

Hoe kun je anderstaligen helpen: wat zijn de do’s and don’ts? Als anderstalige vind ik het onbeleefd als ik iemand in het Nederlands aanspreek en diegene onmiddellijk naar het Engels overschakelt. Spreek Nederlands met collega’s die dat willen leren. Ik vind het ook onhandig als collega’s mijn fouten niet verbeteren – ook al begrijp ik heel goed dat dit ongemakkelijk kan aanvoelen. Doe het toch, anders leer ik het niet.

Volgens mij doe je dat het beste door de zin met het foute taalgebruik op de goede manier te herhalen. Je hoeft dat niet met excuses in te leiden. Dat kost alleen maar tijd en excuses zijn niet op hun plaats omdat je iemand helpt. Ik herhaal de goede zin daarna, zodat ik deze onthoud. Ook ik zal mij niet excuseren, want ik doe moeite om de taal te leren. Als er geen tijd is of er andere mensen bij zijn, geef je er beter geen uitleg bij. Dat kan desgewenst op een ander moment of helemaal niet.

Iedereen die een vreemde taal gebruikt, houdt van complimentjes. Dat vraagt echter fingerspitzengefühl: je moet eerst goed doorhebben met wie je spreekt. Enkele jaren geleden kreeg ik van de rector van een Duitse universiteit een compliment voor mijn uitstekende gebruik van de Duitse taal. Hij had mijn naamkaartje met TU Delft erop gezien en we hadden maar een paar zinnen met elkaar gesproken. Ik vond het grappig; hij vond het erg.

Dat columnisten iets met taal hebben is niet verrassend; dat ik door de columns van mijn mede-columnisten geïntrigeerd raakte om er iets aan toe te voegen ook niet. Eigenlijk wilde ik het deze keer over digitale transitie hebben, maar dat komt later wel. Dat beloof ik – tenzij mijn mede-columnisten opnieuw intrigerende stukken over taal schrijven. Dan zou alleen de redactie mij nog tegen kunnen houden.

Claudia Werker is universitair hoofddocent economie van technologie en innovatie bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management (TBM). Ze werkt sinds 2007 bij de TU Delft. Ze is vice-voorzitter van de ondernemingsraad.