‘Zat er nog maar een geurtje aan’

Hij legde vier decennia lang belangrijke nieuwsmomenten vast, ‘zonder poespas, om het publiek te informeren’. Dit najaar is fotograaf Vincent Mentzel cultural professor aan de TU Delft.

Wie is Vincent Mentzel?
Vincent Mentzel (1945) is al ruim veertig jaar actief als fotojournalist. Tussen 1963 en 1967 studeerde Mentzel aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten. Hij verliet de Academie in 1967 zonder diploma na een conflict met de directeur. In datzelfde jaar ontmoette hij de Amsterdamse theaterfotograaf Maria Austria voor wie hij als donkere-kamerassistent aan de slag ging. Van haar leerde hij het fotografievak. In 1970 trad hij in dienst als staffotograaf van NRC Handelsblad. In de jaren zeventig maakte hij vooral veel foto’s van de Haagse politiek. In 1973 werd een foto van hem van minister-president Den Uyl onderscheiden als ‘Beste Nederlandse Persfoto’ van World Press Photo. Mentzel wordt ook geroemd om zijn reportages in het buitenland, waaronder China, Japan en Tibet.
Voor de beeltenis van koningin Beatrix op de Nederlandse munt en postzegel zijn foto’s van Mentzel gebruikt. Vier maal maakte hij officiële portretten van de koningin.

“Naar deze foto kan ik heel lang kijken”, zegt Mentzel. “Waarom kijkt Beatrix zoals ze kijkt? Wat denkt zij nou?
We hebben afgesproken in de Kunsthal in Rotterdam, waar in het voorjaar van 2011 de expositie ‘Het oog van Nederland’ te zien was, een retrospectief van Vincent Mentzel met meer dan tweehonderd foto’s. We staan stil voor een foto van koningin Beatrix uit 1986. De foto is genomen tijdens het honderdjarig bestaan van het wetboek van strafrecht. Beatrix zit op een bankje met haar handen vroom gevouwen in haar schoot. Om haar heen staan tientallen mannen; ministers, juristen, rechters. En meer op de voorgrond staan journalisten, voorlichters en beveiligingsmensen. Alleen Beatrix kijkt in de lens, wat de foto een wat surrealistische uitstraling geeft.
In de foto gaat de aandacht uit naar Beatrix, maar ook naar haar entourage. Mentzel: “Dat hele protocol mannen dat daar staat, dat toont eerbied. De dag ging over gezag. Dat wordt hiermee mooi uitgebeeld. Maar al die mannen hebben ook hun eigen wereldje. Ze hebben thuis misschien een vrouw die ze slaan.”
Hoe verhoudt de mens zich tot de ruimte waarin hij leeft? Deze vraag fascineert de fotograaf. ‘De menselijke maat’ is dan ook het thema van Mentzels lessen aan de TU. Gedurende twee maanden begeleidt hij studenten bij het maken van reportages over dit thema. Je bent maar een mens met een bepaalde maat in een omgeving en je kunt niet alles overzien. Dat is Mentzels boodschap.

Zouden wetenschappers vaker stil moeten staan bij ‘de menselijke maat’?
“Wat ik denk over wetenschap…” Hij fronst zijn wenkbrauwen. “Wetenschappers zijn van het A kwadraat, B kwadraat, C kwadraat. Ze rekenen uit dat de mens naar de maan kan en ze sturen hem ernaartoe. De berekeningen kloppen immers. Maar (lachend) vervolgens zijn ze toch ook wel weer dolgelukkig als die astronauten levend terugkomen. Je kunt wel alles hebben uitgerekend, maar er kan altijd een spelbreker zijn. Je bent maar een mens met een bepaalde maat. Je moet altijd rekening houden met het onverwachte.”

Hoe reageert de mens als er iets onverwachts gebeurt, iets wat buiten zijn macht ligt?
“Neem nou dat ongeluk met de kerncentrale in Japan. Kerncentrales konden niet ontploffen, maar ze doen het toch. Dat ongeluk levert iets ongrijpbaars op. Er is iets in de lucht waar je niets aan kunt doen. Wat ik me dan afvraag is: wat gebeurt er bij de mens als er straling op hem afkomt? En leg zoiets eens uit door middel van fotografie. Dat kan heel beeldend of abstract. De bijeenkomsten worden dus geen lessen in portretfotografie. Ik gebruik fotografie om studenten iets te laten onderzoeken.”

Wat voor camera heeft u nu bij u?
“Een mooie Canon. Ik weet niet welke. Wacht even.” Hij haalt zijn camera tevoorschijn; een EOS5D, met groothoek. “Ik ben niet zo technisch. Sterker nog, ik weet er niets van. Het interesseert me niet. Het werken in de doka vond ik overigens wel heel leuk. Maar ik ben geen expert. Op een gegeven moment ontmoette ik een heel goede beeldverwerker. Hij doet dat werk nu voor mij. Het is iemand die mijn taal spreekt en mijn gevoelens herkent.”

Wat is uw taal?
“Ik vind het leuk om het beeld naar mijn hand te zetten. Bijvoorbeeld door het licht op sommige plekken door te drukken. Mijn foto’s zijn verder zonder poespas. Toen ik voor de krant fotografeerde moest ik de lezers informeren. Natuurlijk probeer je je daarin wel te onderscheiden.”

“Neem nou het werk van de New Yorkse straatfotograaf Weegee. Zijn werk werd kort na zijn dood opgenomen in het MoMa. Weegee maakte prachtige ‘recht voor zijn raap-foto’s’ van de politie bij prostituees of mensen met een kogel in hun kop. Die man had echt een eigen handschrift.”

U hebt toch ook een eigen handschrift?
“Ja, maar ik heb soms moeite om mijn handschrift te herkennen. Pieter Broertjes (voormalig hoofdredacteur van De Volkskrant, red.) was eens bij me. In mijn huis is het een enorme bende. Broertjes zei, ‘ja, hier woont een kunstenaar’. Maar zo voel ik mezelf niet. Ik zit graag bij kunstenaars. Heerlijk vond ik het bijvoorbeeld om bij Cobraschilder Eugene Brandts te zitten, tussen al die potjes. Ik wil ook met mijn handen in de verf zitten. Wat ik fotografeer wil ik het liefst tekenen of schilderen. Maar dat kan ik niet. Verven of beeldhouwen met beitel of klei geeft toch het ultieme gevoel van vrijheid. Ik vind fotograferen… ik wil niet zeggen te makkelijk… maar ik zou zo graag willen dat er een nog een geurtje aan zat; dat het toch iets meer was dan alleen dat platte.”

Hoe gaat u te werk?
“Elke foto heeft een enorme spanningsboog. Het begint al als de telefoon gaat. De krant en de lezers hebben bepaalde verwachtingen. Daar krijg ik een knoop van in mijn maag. Dan moet ik vertrekken en spelen er allerlei triviale lulligheden. Kom ik wel op tijd? Kan ik mijn auto kwijt? En dan begint het pas echt. Je komt aan op de locatie en bent aan allerlei regels gebonden. Er zijn voorlichters en mensen van de security die de pers wegduwen.” Hij neemt weer de foto van Beatrix tijdens de viering van het honderdjarige bestaan van het wetboek van strafrecht als voorbeeld. “Kijk naar deze situatie. Overal stonden mensen om mij heen. In een split second moest ik beslissen wat ik ging doen. Door de voorlichters en de mensen van de security heen duiken en op mijn knieën voor Beatrix gaan zitten, of de hele situatie gebruiken? Ik koos voor dat laatste.”

En als u portretfoto’s maakt?
“Als ik bij mensen thuis kom en ze zijn heel aardig, dan word ik daar heel zenuwachtig van. De mensen zijn vaak heel verwachtingsvol en hebben het poseren geoefend voor de spiegel. Ik probeer ze dan op het verkeerde been te zetten waardoor ze ontspannen. Ik maak een praatje; ‘mooi schilderij heeft u daar en wat een mooie boeken’. Mensen moeten zich aan je overgeven. Vaak vragen ze hoe lang ik nodig heb voor de foto. Het maken van de foto op zich duurt maar een minuutje, maar de aanloop duurt veel langer.

Lacht. “Tegen Beatrix heb ik eens gezegd dat ze mij eerst op mijn gemak moest stellen door me een kopje thee in te schenken.
Je moet ook wel eens geluk hebben. Dat had ik toen ik Joseph Luns portretteerde voor zijn afscheid als minister van Buitenlandse Zaken in 1971.” Mentzel zet een kakkerig stemmetje op. “Waar moet ik staan, vroeg Luns. Op hetzelfde moment liep er een vrouw langs. Luns neemt zijn hoed af en ik druk af. Het is een onbeholpen foto. Hij klopt helemaal, aangezien het zijn afscheidsfoto is.”

U maakte veel foto’s van politici.
“Ja, en ik kon het ook goed vinden met veel politici. Vooral met Ruud Lubbers heb ik een leuke vriendschap. Maar dat werd niet altijd op prijs gesteld. We stonden op een dag op het Binnenhof een praatje te maken toen collega’s van mij riepen: ‘hé Mentzel, rot eens op’. (Het was 1982. Lubbers was de kersverse premier en had net zijn maidenspeech gehouden. Hij liep met zijn papieren terug naar zijn bureau. Het was het plaatje dat fotojournalisten graag wilden schieten. Maar dan zonder Mentzel in beeld, red.). Die vriendschappen waren ook niet goed. Je moet mensen kritisch volgen.” (Naar aanleiding van dit voorval is Mentzel minder foto’s van politici gaan maken, red.)

Hier in de Kunsthal is ook een expositie van foto’s die met de iPhone gemaakt zijn. Er hangen ook foto’s van u. Fotografeert u graag met uw telefoon?
“Voor NRC Handelsblad heb ik al drie keer een foto gemaakt met de iPhone. En tijdens het evenement de schildersweek in Domburg maak ik er foto’s mee. De organisatie vroeg me hoe ik het ging doen. Met de iPhone, zei ik. Daar was men wel even stil van. De app Hipstamatic gebruik ik ontzettend veel. Het programma ziet er uit als een fototoestel. Je kunt er een zwart-wit of een kleurenfilmpje in doen. Je wordt genept waar je bij staat. Geweldig. Je kunt er ook filmpjes uit de jaren twintig of zeventig in doen. Humor is dat. Ik vind de technische ontwikkelingen fantastisch.”

Moest u er aan wennen, aan die technische ontwikkelingen?
“Vroeger ging ik op pad met een grote koffer waarmee ik foto’s kon versturen via de faxmodem met pulsjes en piepjes. Achttien jaar geleden veranderde dat. Toen kreeg ik een Mac van de krant. Die moest ik gebruiken. Maar ik heb hem een jaar lang niet gebruikt. Mag ik niet gewoon afdrukjes sturen, vroeg ik.”

U fotografeert graag met de iPhone, maar u hebt wel uw spiegelreflexcamera bij u. U loopt dus met twee camera’s rond.
“Ja. Tijdens de overgang van film naar digitaal liep ik ook altijd met twee camera’s rond. Ik vertrouwde digitaal nog niet. Ik fotografeerde in de tijd altijd eerst met film en daarna digitaal. En dat was maar goed ook, want als ik terugkijk naar al die jpg’jes, die zijn nu tien, twaalf jaar later eigenlijk waardeloos.”

Wat is het voordeel van de smartphone?
“Je ziet hem bijna niet. Heerlijk is dat. Dat had ik vroeger ook als ik met een kleine Leica fotografeerde. Je loopt er niet bij als een Japanse toerist of als iemand van de pers. Niemand die je wegduwt. Maar je moet wel van dichtbij fotograferen. Al is er een of andere gek die een grote lens gemaakt heeft die je tegen je iPhone aan kunt zetten. Dan gaat de telefoon en dan sta je met een enorme toet aan je oor. Al die technische ontwikkelingen gaan keihard door.
Mijn collega van de New York Times is in Afghanistan op pad gegaan met militairen. Die militairen fotografeerden elkaar allemaal met de smartphone. Toen is hij dat ook gaan doen. Er ontstond een heel nieuwe manier van werken, een andere vertrouwensband.”

Bent u blij dat u met pensioen bent?
“Vreselijk. Ik moest met mijn 65ste weg. Allerlei fondsen gaan dan uitkeren. Je wordt er helemaal geschuffeld van.”

Cultural professor
De traditie van de gastschrijver is op de schop gegaan. Het gastschrijverschap is uitgebreid met andere kunstdisciplines. De gastschrijver gaat voortaan twee maanden door het leven als cultural professor. Behalve schrijvers worden nu ook beeldend kunstenaars, componisten, filmmakers en fotografen uitgenodigd.
Mentzel is de eerste cultural professor. Hij begint zijn werk in Delft op 23 september met een openbare lezing onder de titel de ‘Cultural Promotion’. In de periode erna zijn er zeven besloten bijeenkomsten voor studenten. Op 25 november sluit Mentzel af met een openbare slotrede.

Dit artikel verscheen ook in Delft Integraal, september 2011

Tim van Ginkel (eerstejaars luchtvaart- en ruimtevaarttechniek) woont op Burgwal 19, een Virgiel-huis. Hij is al ingestemd, maar zijn kamer komt over een maand pas vrij. Tot die tijd woont hij op de overloop bovenaan de trap, waar twee kamers op uitkomen. Van de geiser aan het voeteneind en van huisgenoten die langs zijn bed lopen en heeft hij weinig last. De blauwe plek op zijn neus heeft niets met het HJ-schap te maken: die komt van een elleboog tijdens een potje voetbal. In deze omgeving vallen zijn opvallend witte vandaag gekochte schoenen extra op.