Nu de eerste diversity officer van de TU Delft zijn vertrek heeft aangekondigd, rijst de vraag: wat heeft deze aandacht voor diversiteit opgeleverd en hoe moet het verder?
Rinze Benedictus ten tijde van zijn aantreden als diversity officer in 2017. (Foto: Sam Rentmeester)

Nu de eerste diversity officer van de TU Delft zijn vertrek heeft aangekondigd, rijst de vraag: wat heeft deze aandacht voor diversiteit opgeleverd en hoe moet het verder?

Read in English

Professor Rinze Benedictus begon in 2017 als diversity officer. Hij vervulde zijn functie grotendeels in de luwte, op één incident na dat het thema aan de TU definitief op de kaart zette. Delta sprak hem via Skype, samen met Martijn Blaauw, adjunct-secretaris van de TU Delft en hoofd van zowel het integrity office als het diversity office.

Is de universiteit diverser geworden de afgelopen tweeëneenhalf jaar?
Benedictus: “Dat kun je niet echt meten, want veel registreer je niet van medewerkers. Neem bijvoorbeeld de participatiewet voor mensen met een beperking. We kunnen alleen mensen meetellen die zichzelf hebben geregistreerd bij het UVW. Maar op de TU is hier serieuze aandacht voor, ook voor studenten. Bij Onderwijs- en Studentenzaken zijn allerlei mensen bezig om studenten met een beperking te ondersteunen.”

Blaauw: “Het meten van inclusiviteit is lastig. Je kunt heel divers zijn als gemeenschap, maar uitermate niet-inclusief. Met inclusief bedoel ik dat we het samen doen, dat we elkaar betrekken bij besluitvorming, ideeën of commissies, ieder vanuit de eigen rol. We willen niet dat mensen buitenspel komen te staan, moedwillig of niet-moedwillig. Als iedereen bijdraagt, is de organisatie op haar krachtigst.”

‘De Nashville-verklaring was een blessing in disguise’

Hoe weet je het als mensen buitenspel staan? Is het probleem niet juist dat ze onzichtbaar zijn?
Blaauw: “We moeten de bewustwording verder cultiveren, zodat we de blinde vlekken gaan zien. Daar kunnen de diversiteitstrainingen die de TU aanbiedt en gaat aanbieden, bij helpen. Die leren je naar jezelf te kijken: hoe ben ik opgevoed, wat zijn mijn blinde vlekken, in welke sociale kringen doe ik zelf mee? Dat alles kleurt hoe je naar de wereld kijkt.”

Wat zie je als een groot succes van de afgelopen jaren?
Benedictus: “Een paar maanden geleden zou ik gezegd hebben: dat het diversity office van een virtueel iets een fysiek kantoor wordt, waar mensen langs kunnen lopen. (dat kan door corona voorlopig niet, red.). Maar ook dat diversiteit en inclusiviteit genoemd worden in de strategie van de TU, dat ze onderdeel zijn van het integriteitsbeleid.”

Begin 2019 bleek de handtekening van een TU-hoogleraar te staan onder de Nashville-verklaring tegen het praktiseren van homoseksualiteit. Dat maakte veel los. Hoe kijk je terug op die tijd?
Benedictus: “De Nashville-verklaring was pijnlijk maar ook een blessing in disguise, omdat er een discussie uit voortkwam over de grens van vrijheid van meningsuiting. Mag je zeggen wat je vindt en anderen op hun tenen trappen? Hoe hard mag dat dan zijn en wanneer zeg je sorry? Ik denk dat we veel vaker sorry moeten zeggen, en vaker sorry moeten accepteren.”

‘We moeten niet denken in termen van slachtoffer en dader’

Moet deze campus een safe space zijn, zoals studenten aan Amerikaanse universiteiten die soms eisen?
Benedictus: “Een werk- en studieomgeving waar mensen zich veilig voelen om zich uit te spreken is zeker van belang. Je moet mensen ook weerbaar maken. We zitten in een heel rationele instelling: met argumenten kun je ver komen. Alleen, niet alles is rationeel. Zeggen ‘je mag niet op elkaars tenen trappen’, vind ik niet realistisch. Maar als het opzettelijk is, keer op keer, dan zul je wat moeten doen. Mensen moeten dingen dan wel kenbaar en bespreekbaar maken. We moeten elkaar opvoeden en niet denken in termen van slachtoffer en dader. In de situaties dat dat wel zo is, geeft de wetgeving veel aanknopingspunten. Inclusiviteit gaat over het grijze gebied, waar geen slachtoffers en daders zijn, waar mensen gewoon verschillend zijn.”

Coming Out Day TU Delft 2018
Coming Out dag 2018. (Foto: Marjolein van der Veldt)

Momenteel zijn grote protesten gaande tegen wat ‘institutioneel racisme’ wordt genoemd. Is daarvan sprake aan de TU Delft en doet de universiteit daar nu – door deze gebeurtenissen – meer aan om dit aan te pakken?
“Het is goed dat er nu wereldwijd aandacht is voor racisme. Discriminatie in alle vormen is onacceptabel. Het is van het grootste belang dat we in de universiteit het gesprek over dit onderwerp kunnen voeren. Alleen door met elkaar te praten, door elkaar te durven bevragen op standpunten, elkaar aan te durven spreken als we zien dat het fout gaat, en door ook naar onszelf en ons eigen mogelijke implicit biases (vooroordelen, red.) te kijken, kunnen we een stap verder komen in het creëren van een universiteit waarin iedereen er mag zijn.”

Leeft het thema diversiteit wel op de TU?
Benedictus: “De discussie over de Nashville-verklaring was breed. Dat soort dingen heb je nodig. Als je kijkt naar de Coming Out Day dan is dat helaas vooral preken voor eigen parochie; er komen vooral mensen op af die hier al van overtuigd zijn. Zo nu en dan merk ik ook dat er een discussie speelt waarvan ik me niet bewust was, of waarvan ik dacht dat hij gesust was. Helemaal in het begin was er iemand die er keer op keer mee werd geconfronteerd dat ze op latere leeftijd aan een wetenschappelijke carrière was begonnen. Ze zei ‘als je universitair docent en boven de veertig bent, dan kun je geen stap meer maken’.”

‘Is het gelukt? Nee, we zijn er niet’

Hoe bleef je de afgelopen jaren op de hoogte van wat er speelde?
Benedictus: “Ik stond niet alleen. Ik had Sarah Benschop (HR-adviseur diversiteit, inmiddels niet meer werkzaam aan de TU, het wervingsproces voor haar opvolger is bezig-red.). Zij heeft een belangrijke rol gespeeld in het opzetten van het office. Ook had ik een team vrijwilligers uit alle geledingen van de universiteit. Met hen kon ik goed sparren.”

Waarom gebruikte je daar clubs als Dewis, TrueU of TU Delft Feminists niet voor?
Benedictus: “Dewis, TrueU en anderen komen vanuit een bepaalde invalshoek. Dat is begrijpelijk en goed, maar wij hadden ook behoefte aan variatie, om voorbereid te zijn op discussies over andere aspecten van D&I.”

Hoe komen ‘gewone’ medewerkers aan een breder beeld?
Blaauw: “Veel managementteams en medewerkers van faculteiten doen diversiteitstrainingen. Dan word je je bewust van valkuilen en biases.”

Benedictus: “Zulke trainingen zitten standaard in de opleiding van senior wetenschappelijk personeel. Ook in de Graduate School komt het aan bod.”

Is het genoeg?
Benedictus: “Nooit. Dit is een continue beweging, je moet altijd alert zijn, blijven monitoren. De TU is hier serieus mee bezig, werkt er bijvoorbeeld hard aan om binnen de wetenschappelijke staf meer vrouwen in dienst te krijgen. Is het gelukt? Nee, we zijn er niet.”

‘Ik heb nooit meegemaakt dat de deur voor mij werd dichtgeslagen’

Momenteel loopt de werving voor de nieuwe diversity officer. Wat voor iemand moet dat zijn?
Benedictus: “Ik ben niet direct iemand die op de bühne springt. Een activist hebben we niet nodig, maar iemand die iets meer op de voorgrond treedt, kan dit thema wel gebruiken.”

Blaauw: “We willen het liefst iemand uit de eigen organisatie, die de cultuur aanvoelt en weet wat er speelt en wat de gevoeligheden zijn.”

Waarom dacht je aan het begin: dit is iets voor mij?
Benedictus: “Ik heb me niet afgevraagd of ik de beste was. Ik vond en vind het belangrijk dat deze positie er is. De TU blijft een elitaire club, want er vindt een selectie plaats, maar als je er dan deel van uitmaakt dan moet je dat gevoel ook hebben. Ik houd van verscheidenheid. Wij zijn van de discussie, van dingen aan de kaak stellen, van buiten de gebaande paden gaan. Dat hoort in de genen van onze organisatie: dat we grenzen herkennen en er overheen gaan.”

Hoort daar niet ook bij dat problemen in de openbaarheid worden besproken? Na Nashville is er niet veel naar buiten gekomen, ook niet over de beweging tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag #metoo.
Benedictus: “Van mij hoeft dat niet. Het feit dat #metoo er is, laat zien dat het onderwerp de aandacht krijgt die het verdient. Daarnaast heb ik er alle vertrouwen in dat er op de universiteit wordt opgetreden als er ergens structureel iets speelt. Dat is wat anders dan individuele gevallen op straat gooien. We moeten naar de cultuur kijken. Als iemand de TU Delft beschrijft als een horkerige, mannelijke cultuur, dan herken ik daar wel iets van. Daar zullen we iets aan moeten doen, maar ik heb nooit meegemaakt dat ergens de deur voor mij werd dichtgeslagen als ik lastige onderwerpen op tafel wilde leggen. Integendeel.”