Wie laat over twintig jaar de treinen rijden? Wie zorgt voor schone energie of ontwerpt de hulpmiddelen waarmee miljoenen ouderen langer thuis kunnen wonen? Alleen nog maar Chinezen, als we de onheilstijdingen mogen geloven.

Werkgevers luiden de noodklok, maar waarom betalen ze technici dan niet beter?

Bedrijven waarschuwen in koor: Nederland heeft straks een groot probleem als de pubers van nu niet en masse voor een technische opleiding kiezen. Om het dreigende tekort af te wenden moet de overheid diep in de buidel tasten. In het vorig jaar gesloten Techniekpact is onder meer afgesproken dat het kabinet zeshonderd miljoen euro reserveert voor bij- en omscholing van mensen met interesse in techniek, en honderd miljoen euro om het techniekonderwijs op de pabo’s te verbeteren. 

De onheilstijding is niet nieuw. Bedrijven klagen al jaren over een gebrek aan technisch geschoold personeel. ‘Lonken naar de bèta’s van de toekomst’, kopte de Volkskrant in 1997 bijvoorbeeld. Ook toen al kozen te weinig jongeren voor een bèta- of technische studie, en ook toen keek het bedrijfsleven naar de overheid voor een oplossing. Maar is het probleem werkelijk zo groot als gedacht? 

Nee, concludeerde socioloog en hoogleraar Marc Vermeulen eind jaren negentig in het Volkskrantartikel. Want de lonen bleven laag: iedere middelbare scholier met economie in zijn pakket kent de wet van vraag en aanbod. Als bedrijven zo ontzettend graag technici in dienst willen nemen, moeten ze met meer geld over de brug komen, was zijn conclusie.

“Sinds 1997 is er wel wat veranderd”, zegt Vermeulen (Business-school TiasNimbas) nu. “De technieksector heeft de afgelopen jaren een beter aanzien gekregen, maar wat mij blijft fascineren is dat de lonen niet zo hoog zijn als je bij een schreeuwend tekort zou verwachten.” Dat is volgens Vermeulen helemaal opvallend aangezien technici vaak in het bedrijfsleven werken, waar de lonen over het algemeen hoger liggen dan bij de overheid of in het onderwijs en waar de lonen zich sneller kunnen aanpassen aan krapte op de arbeidsmarkt. 

 

Vraag en aanbod

Vooropgesteld: een studie werktuigbouwkunde, civiele techniek of informatica is nog steeds een goede keus. De vooruitzichten zijn weliswaar minder rooskleurig dan twee jaar geleden, maar afgestudeerden vinden snel een baan en hebben in een vloek en een zucht een vast contract. Over het salaris valt ook niet te klagen. Pas afgestudeerde technici met een hbo-diploma lijken meer profijt te hebben van hun opleiding. Maar het gemiddelde startsalaris van academici wordt gedrukt door promovendi, die minder verdienen dan veel leeftijdsgenoten.

Wie echt wil binnenlopen, kan volgens cijfers uit de Keuzegids Universiteiten beter kiezen voor fiscaal recht, geneeskunde of international business. Een jonge scheikundige verdient minder dan een econoom, een wiskundige gemiddeld hetzelfde als een onderwijskundige. 

Volgens Didier Fouarge, econoom bij het Maastrichtse Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), is het salaris van pas afgestudeerde technici de afgelopen jaren zelfs gedaald. Dat is gezien de economische crisis niet zo gek, maar wat vooral opvallend is: het salaris is meer dan gemiddeld gedaald. Fouarge: “De lonen van technici zijn wel hoog, maar rijzen niet de pan uit. Toch laten onze prognoses zien dat in bepaalde segmenten in de techniek, bijvoorbeeld de werktuigbouwkunde en elektrotechniek, de vraag naar personeel groter is dan het aanbod.” 

Als er echt een enorme schaarste zou zijn, zou dat in principe moeten resulteren in een hoger loon dan startende technici nu krijgen. Dat beaamt ook Maikel Volkerink van onderzoeksbureau SEO, dat elk jaar een rapport uitbrengt over de arbeidsmarkt voor net afgestudeerden. “Het salaris van technici is de afgelopen jaren niet extreem snel gestegen”, aldus Volkerink. “Dus in die zin zou ik niet kunnen zeggen dat er een tekort is.” 

Landsgrenzen

Maar wat bedrijven ervaren, kan erg afwijken van ramingen uit rapporten, benadrukt hij. Dat de lonen niet de pan uit rijzen, komt volgens Volkerink vooral doordat veel technologische bedrijven wereldwijd actief zijn. Ze kunnen het zich niet permitteren om de lonen omhoog te gooien, omdat hun producten dan te duur worden. Volkerink: “Een bank of adviesbureau haalt het grootste deel van zijn omzet binnen de landsgrenzen. Daardoor kunnen die meer salaris bieden dan een technisch bedrijf. Dat zou zich door hogere lonen, en uiteindelijk hogere prijzen, direct uit de markt prijzen.”

Daar komt nog eens bij dat bedrijven voor technische vacatures ook buitenlands personeel kunnen werven. Volkerink: “Bedrijven willen liever Nederlandse werknemers, maar hebben vaker dan niet-technische bedrijven de optie om personeel hier naar toe te halen.” 

De ondernemersorganisatie voor de technologische industrie, FME-CWM, is het daar helemaal niet mee eens. “Bedrijven zijn op zoek naar hoogwaardig technisch gekwalificeerd personeel”, zegt Peter Bongaerts, directeur beleid. “Hoewel veel landen bezig zijn met een inhaalslag, komen de beste mensen nog steeds van Nederlandse universiteiten en hogescholen.” 

Dat de startsalarissen van technici minder hoog zijn dat je zou verwachten, is volgens hem niet waar: “Misschien zijn dit niet de salarissen die eerder in de financiële sector zijn uitgekeerd, maar ze zijn wel bovengemiddeld hoog en goed aan de maat. Bedrijven maken daar een eigen afweging in en zij betalen hun technici keurig.” De analyses van het ROA en de SEO zijn volgens hem te grofmazig. “Om te kijken waar de echte tekorten zitten, moet je veel verfijnder te werk gaan.” >>

Het tekort aan personeel wordt volgens Bongaerts nog steeds veroorzaakt door een imagoprobleem. Steeds meer jongeren mogen dan wel kiezen voor een technische opleiding, maar eenmaal afgestudeerd blijkt een groot deel niet in de sector te gaan werken. “Dat is iets wat we ons als brancheorganisatie zeker aantrekken”, zegt Bongaerts. “Het is gelukkig wel aan het kantelen. Studenten hebben steeds beter door dat je met een technisch diploma kunt werken aan het oplossen van allerlei maatschappelijke problemen. Klimaatverandering bijvoorbeeld is een onderwerp waar veel jongeren zich zorgen over maken.”

Managers en consultants 

Maar de vraag is of imagoproblemen kunnen verklaren waarom zoveel afgestudeerden hun vak de rug toekeren. Bijna veertig procent van de jonge technici vindt een niet-technische baan in een niet-technische sector, volgens de laatste SEO-monitor technische arbeidsmarkt. 

Banken als de ING zien jonge bèta’s en technici graag komen en hebben daar ook geld voor over: afgestudeerden van een technische opleiding hebben er volgens het ROA veel baat bij om van sector te wisselen. ‘Dit geeft een extra dimensie aan de veel besproken tekorten aan (hoger opgeleide) technici’, schrijven de onderzoekers. 

Dat mag voor de jonge afgestudeerden goed nieuws zijn – ze zijn gewild om hun analytische vaardigheden en kennis – maar het techniektekort wordt er niet kleiner van. 

André van der Leest van Metaalunie, de ondernemersorganisatie voor middelgrote en kleine bedrijven in de metaalsector, vindt het ‘heel mooi’ dat jonge technici de banen voor het uitkiezen hebben, maar bedrijven zouden hen niet zomaar moeten laten gaan. Dat is volgens hem niet alleen een kwestie van het imago verbeteren: “De wijze waarop we in Nederland een salaris vaststellen, doet geen recht aan wat mensen bijdragen. Veel bedrijven hebben het idee dat iemand die verantwoordelijk is voor een project van twaalf mensen meer geld moet verdienen dan iemand die verantwoordelijk is voor een project dat twaalf miljoen euro kost. Mij lijkt dat onterecht.” 

Passie

Maar volgens Bongaerts van FME-CWM is het salaris van technici niet hun belangrijkste drijfveer. “Zij vinden het gewoon heel erg interessant om hun vak te kunnen uitoefenen. Je moet niet alleen naar beloning kijken, er spelen ook veel andere factoren mee.” Ook Van der Leest van Metaalunie weet niet of een hoger salaris de oplossing is voor het tekort: “Technici zijn natuurlijk niet alleen geïnteresseerd in geld. Salaris is belangrijk, maar zeker niet doorslaggevend. Ze moeten ook een bepaalde passie hebben, iets doen waar hun hart ligt.”

“Hoewel de lichten niet allemaal op groen staan, blijft een technische opleiding een goede keus”, vat hoogleraar Marc Vermeulen het samen. De socioloog die in 1997 zei dat er van een tekort geen sprake was, is daar toch wat anders over gaan denken. “Oppervlakkig gezien kun je zeggen: we hebben dat verhaal al zo vaak gehoord en we zijn nog steeds niet afgegleden tot het niveau van een ontwikkelingsland. Dus valt het allemaal reuze mee en moet je hier als overheid geen geld in steken.”

“Aan de andere kant: technologie verwerft steeds meer een plek in elk aspect van ons leven, dus moeten we als maatschappij genoeg mensen opleiden die snappen wat die technologie inhoudt. Bovendien ziet de technische sector waar we het nu over hebben er heel anders uit dan die in 1997. We weten niet hoe Nederland er over nog eens vijftien jaar uitziet. Wat dat betreft zou je ook kunnen zeggen: better safe than sorry.”