Overslaan en naar de inhoud gaan

Drie dagen voor de opening wordt er nog volop gewerkt in het Science Centre Delft. Vanaf donderdag 2 september is het visitekaartje van de TU geopend voor het publiek.

Voor de ingang aan de Mijnbouwstraat sjouwen twee mannen een sponsorbord de stenen trap op. In een nog duistere winkelruimte krijgen twee dames instructie over de bediening van de kassa. En ook in de lange, lichte tentoonstellingsruimte, waar zonnewagen Nuna, minionderzeeër Wasub en de Forze waterstofkart de blikvangers zijn, wordt nog volop gewerkt. “Waar moet dit heen?” klinkt het. En: “De schilder kan pas over anderhalf uur verder, want ze hebben net de vloer in de was gezet.” Drs. Michael van der Meer, hoofd van het Science Centre, is in overleg bij de nog erg lege ruimtevaartopstelling. Hij laat zich door zulke kleine tegenslagen niet van de wijs brengen. “Zou het nou erg veel helpen”, vraagt hij in Amsterdamse tongval, “als ik hier als een gestreste kip zou rondlopen? Nou dan.”

Het Science Centre is de opvolger van het vroegere Techniekmuseum. Het beoogt volgens het persbericht een kijkje te bieden in de keuken van de TU en een ontmoetingsplek te zijn voor bezoekers, studenten en onderzoekers. Met een budget van zo’n anderhalf miljoen euro, waarvan twee ton uit entree en sponsorgelden moet komen en een kleine zeven medewerkers, heeft het Science Centre een taakstelling van veertigduizend bezoekers per jaar, ongeveer tweemaal meer dan het Techniekmuseum destijds haalde.

RondleidingVan der Meer geeft een rondleiding in vogelvlucht. “We hebben gekozen voor een industrieel uiterlijk”, zegt hij. Kabels lopen zichtbaar door open goten, grijze kratjes vormen de vitrines in de winkel en de balie bestaat uit een zwarte plastic bekisting met rode verbindingen. In de grote lichte tentoonstellingsruimte biedt de opstelling Amazing Technology een ‘hapsnap’ greep uit de TU. “Er is geen verband tussen”, aldus Van der Meer. Wel zijn er opvallend veel eindproducten van studentenprojecten en veel interactieve opstellingen. De bezoeker kan zelf spetteren met de bijlboeg, ballen vangen in een kooi of de airocam camera via een buizenpostsysteem door de hele tentoonstelling sturen. Een speciaal ontwikkelde vluchtsimulator mag nog niet gebruikt worden omdat het liftinstituut daar toestemming voor moet geven. Dat kan zomaar drie maanden duren.

Aan het eind van de lange zaal bevindt zich een filmruimte waar de bezoeker in een acht minuten durende videopresentatie kennis maakt met een aantal opgeruimde onderzoekers. Onder wie milieutechnologe dr.ir. Merle de Kreuk (Technische Natuurwetenschappen), biomechanicus dr.ir. David Abbink van de faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Materiaalwetenschappen (3mE), robotonderzoeker dr.ir. Martijn Wisse (3mE) en dr.ir. Lex Keuning die de bijlboeg ontwikkelde. Het geheel straalt een soort sprankelende vrolijkheid uit.Verder naar een aantal speciale studio’s waarvan de thema’s met keurige rode bordjes zijn aangegeven: Robotica, Sportstudio, Biotechnologie, 3D-wereld, Workshop-1, Bouwlab en de (Serious) Game studio. In de sportstudio zijn allerlei voorwerpen verzameld die TU'ers voor sporters hebben ontworpen en gemaakt. Daaronder bevinden zich speciale snowboards, een verbeterde ergometer (roeiapparaat), een skiff en een ultralicht fietsframe van koolstofvezel.

Even verder kan de bezoeker, al dan niet onder begeleiding, zelf proefjes doen in het biotechnologielab. Daarvoor hebben onderzoekers van het Kluyverlab experimenten ontwikkeld. In de 3D-studio kunnen zowel onderzoekers, studenten als bezoekers hun op usb-stick meegebrachte 3D-ontwerp vertonen en manipuleren. Ook eiwitstructuren worden ermee onderzocht en wolkenformaties. In het Fablab mogen studenten en scholieren van de 3D-printer en de foamsnijder gebruikmaken om hun prototypes te maken.

Eerlijk zijnZelf doen, kennismaken met studenten en onderzoekers, getuige zijn van lopend onderzoek – het zijn terugkerende thema’s in het verhaal van Van der Meer. Het Science Centre is meer een ontmoetingsplek dan een museum.Toch is niet alles gelukt. Op de binnenplaats zou een watercentrum verrijzen waar jong en oud met zand en water zou kunnen spelen om daar te beginselen van de waterbouw te ervaren. “Die plannen waren te ambitieus”, zegt Van der Meer nu. “Er waren geen sponsoren voor te vinden, zodat we nu bezig zijn de plannen te downscalen.” Dat houdt ondermeer in dat de geplande overkapping van de binnenplaats is geschrapt.

Een ander gevolg van het krappe budget is dat de meeste opstellingen door studenten zijn verzorgd, en niet door professionele tentoonstellingsbouwers. Dat heeft als risico dat opstellingen defect of buiten bedrijf raken. “We hebben de opstellingen getest op hufterbestendigheid. Maar het zijn allemaal eenmalige producties zonder garantie. Als de bewuste student vertrokken is, moet je hopen dat hij goede documentatie heeft achtergelaten.” Overigens vindt Van der Meer het geen ramp als er een opstelling buiten werking raakt. “Dat hoort ook bij techniek. Daar moet je eerlijk in zijn.”Technisch coördinator Bert Cornelisse beaamt dat de studenten wel eens wat over het hoofd zien. Als voorbeeld noemt hij de hangende ballenbak waarover de studenten niet hadden nagedacht hoe het ding te onderhouden. Cornelisse stelde voor er een takel boven te maken waarmee ze de opstelling konden laten zakken. En zo geschiedde. De glunderende Cornelisse heeft er veel lol in om met studenten te werken. “Ze zien wel eens wat over het hoofd, maar ze zijn soms zo verrekte snel en slim.”

Vanaf vandaag is het Science Centre open voor het publiek. Het moet proberen om komend jaar veertigduizend bezoekers te trekken, waarvan een kwart uit schoolklassen zal bestaan. “Dat moet altijd een beetje groeien”, zegt Van der Meer. “Die 20 tot 25 duizend van het Techniekmuseum halen we zeker, maar 40 duizend is misschien wat veel.” 

www.sciencecentre.tudelft.nl

Allereerst willen ze de Amsterdam-Dakar Challenge zo goedkoop mogelijk uitrijden. Daarnaast willen ze een flinke smak centen ophalen voor de Leprastichting. Tot die tijd hopen ze op onvergetelijke avonturen.Eerst maar over het voornaamste hulpmiddel tijdens de reis: de auto. “Dat is een Landrover Discovery”, onthult Laurens. “Uit 1994. Via Marktplaats.” Eigenlijk hebben ze met de auto een beetje gesmokkeld, bekennen Laurens en Caesar. “Je mag van de organiserende stichting maximaal 750 euro uitgeven aan de auto.” Ze kunnen er niet mee zitten. “Sommigen kopen barrel voor vijfhonderd euro, maken ‘m APK-klaar en versleutelen er daarna voor tweeduizend euro aan. Wij kozen bewust voor een auto in redelijke staat, al heeft hij 350 duizend kilometer op de teller.” Met het vervangen van een distributieriem en een grote beurt was het sleutelen daardoor wel bekeken.De reden om met een 4x4 zevenduizend kilometer over vaak slecht begaanbare routes te gaan rijden is simpel. Het avontuur. Beiden hebben veel en avontuurlijk gereisd. “Ik ben onder meer in de jungle van Brazilië geweest”, aldus Caesar. En Laurens is ‘iemand van de roadtrips’. “Op een Vespa-brommer via binnendoorweggetjes naar Parijs en terug. Twee keer achthonderd kilometer.”

Beiden geven direct toe dat die trips niet in verhouding staan tot wat ze nu voor de boeg hebben. Niet voor niets noemen ze zich Team Rough Roads New Horizons. “Het mooiste is het onderweg zijn. Elke dag wat anders, het onverwachte, andere culturen. Je weet niet waar je aan het eind van de dag slaapt”, vullen ze elkaar aan.

De technische uitdaging is ondergeschikt. “De technische kant zit vooral in de voorbereiding”, stelt teamsleutelaar Laurens. “Op reis is het een deel van de spanningsboog, want de auto is natuurlijk niet honderd procent gereviseerd. Maar alles is te repareren; we hebben een auto gekozen zonder veel elektronica.”

De echte uitdaging zit ’m in het halen van de finish en het zo veel mogelijk geld vergaren voor de Leprastichting. En dus geven ze nu zo min mogelijk uit. “Weinig rijden met de auto, veel met het openbaar vervoer reizen en proberen elke uitgave gesponsord te krijgen.” Dat lukt aardig. “Voor alle reserveonderdelen, tenten, slaapzakken, jerrycans, praktisch de hele uitrusting hebben we sponsors. Overnachten onderweg kost dus niets. Het eten, de visa, de inentingen en het ticket terug betalen we uit eigen zak.” 

De keus van het goede doel was wat toevallig. “Yorick kende iemand die ambassadeur is van de Leprastichting. We zijn er twee keer gaan praten om te zien wat wij voor elkaar kunnen betekenen”, aldus Caesar. “Zij hebben ons geholpen met een vermelding van onze reis op hun site en met het opstellen van sponsorcontracten. Daar hadden we totaal geen verstand van.”Inmiddels sponsort een aantal bedrijven de drie wereldreizigers in ruil voor een sticker op de auto en vermelding op de site. “Daarnaast krijgen we donaties van familie, vrienden en bekenden, onder meer via een jerrycanactie. Symbolisch betaal je dan een jerrycan brandstof." In totaal hopen de drie 3500 tot 4000 euro voor de Leprastichting te vergaren.

Maar eerst wacht het avontuur, waarbij veel afhangt van hun zelfredzaamheid. “Van de organisatie krijg je een roadbook, maar geen hulp onderweg”, schetst Laurens. “Je moet alles zelf doen, of met andere deelnemers die tegelijk starten. We zullen gedeelten in een groep rijden.” Samenwerken wordt ook gestimuleerd. "Aan de finish is er een prijs voor het team met het meest ethische gedrag”, zegt Caesar. Mensen kunnen mogelijke morele bezwaren hebben tegen het voor de lol met een 4x4 over de aardbol toeren. “We merken dat dat meespeelt bij bedrijven, willen ze je sponsoren.” 

www.roughroads.nl www.leprastichting.nl

Voor de ingang aan de Mijnbouwstraat sjouwen twee mannen een sponsorbord de stenen trap op. In een nog duistere winkelruimte krijgen twee dames instructie over de bediening van de kassa. En ook in de lange, lichte tentoonstellingsruimte, waar zonnewagen Nuna, minionderzeeër Wasub en de Forze waterstofkart de blikvangers zijn, wordt nog volop gewerkt. “Waar moet dit heen?” klinkt het. En: “De schilder kan pas over anderhalf uur verder, want ze hebben net de vloer in de was gezet.” Drs. Michael van der Meer, hoofd van het Science Centre, is in overleg bij de nog erg lege ruimtevaartopstelling. Hij laat zich door zulke kleine tegenslagen niet van de wijs brengen. “Zou het nou erg veel helpen”, vraagt hij in Amsterdamse tongval, “als ik hier als een gestreste kip zou rondlopen? Nou dan.”

Het Science Centre is de opvolger van het vroegere Techniekmuseum. Het beoogt volgens het persbericht een kijkje te bieden in de keuken van de TU en een ontmoetingsplek te zijn voor bezoekers, studenten en onderzoekers. Met een budget van zo’n anderhalf miljoen euro, waarvan twee ton uit entree en sponsorgelden moet komen en een kleine zeven medewerkers, heeft het Science Centre een taakstelling van veertigduizend bezoekers per jaar, ongeveer tweemaal meer dan het Techniekmuseum destijds haalde.

RondleidingVan der Meer geeft een rondleiding in vogelvlucht. “We hebben gekozen voor een industrieel uiterlijk”, zegt hij. Kabels lopen zichtbaar door open goten, grijze kratjes vormen de vitrines in de winkel en de balie bestaat uit een zwarte plastic bekisting met rode verbindingen. In de grote lichte tentoonstellingsruimte biedt de opstelling Amazing Technology een ‘hapsnap’ greep uit de TU. “Er is geen verband tussen”, aldus Van der Meer. Wel zijn er opvallend veel eindproducten van studentenprojecten en veel interactieve opstellingen. De bezoeker kan zelf spetteren met de bijlboeg, ballen vangen in een kooi of de airocam camera via een buizenpostsysteem door de hele tentoonstelling sturen. Een speciaal ontwikkelde vluchtsimulator mag nog niet gebruikt worden omdat het liftinstituut daar toestemming voor moet geven. Dat kan zomaar drie maanden duren.

Aan het eind van de lange zaal bevindt zich een filmruimte waar de bezoeker in een acht minuten durende videopresentatie kennis maakt met een aantal opgeruimde onderzoekers. Onder wie milieutechnologe dr.ir. Merle de Kreuk (Technische Natuurwetenschappen), biomechanicus dr.ir. David Abbink van de faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Materiaalwetenschappen (3mE), robotonderzoeker dr.ir. Martijn Wisse (3mE) en dr.ir. Lex Keuning die de bijlboeg ontwikkelde. Het geheel straalt een soort sprankelende vrolijkheid uit.Verder naar een aantal speciale studio’s waarvan de thema’s met keurige rode bordjes zijn aangegeven: Robotica, Sportstudio, Biotechnologie, 3D-wereld, Workshop-1, Bouwlab en de (Serious) Game studio. In de sportstudio zijn allerlei voorwerpen verzameld die TU'ers voor sporters hebben ontworpen en gemaakt. Daaronder bevinden zich speciale snowboards, een verbeterde ergometer (roeiapparaat), een skiff en een ultralicht fietsframe van koolstofvezel.

Even verder kan de bezoeker, al dan niet onder begeleiding, zelf proefjes doen in het biotechnologielab. Daarvoor hebben onderzoekers van het Kluyverlab experimenten ontwikkeld. In de 3D-studio kunnen zowel onderzoekers, studenten als bezoekers hun op usb-stick meegebrachte 3D-ontwerp vertonen en manipuleren. Ook eiwitstructuren worden ermee onderzocht en wolkenformaties. In het Fablab mogen studenten en scholieren van de 3D-printer en de foamsnijder gebruikmaken om hun prototypes te maken.

Eerlijk zijnZelf doen, kennismaken met studenten en onderzoekers, getuige zijn van lopend onderzoek – het zijn terugkerende thema’s in het verhaal van Van der Meer. Het Science Centre is meer een ontmoetingsplek dan een museum.Toch is niet alles gelukt. Op de binnenplaats zou een watercentrum verrijzen waar jong en oud met zand en water zou kunnen spelen om daar te beginselen van de waterbouw te ervaren. “Die plannen waren te ambitieus”, zegt Van der Meer nu. “Er waren geen sponsoren voor te vinden, zodat we nu bezig zijn de plannen te downscalen.” Dat houdt ondermeer in dat de geplande overkapping van de binnenplaats is geschrapt.

Een ander gevolg van het krappe budget is dat de meeste opstellingen door studenten zijn verzorgd, en niet door professionele tentoonstellingsbouwers. Dat heeft als risico dat opstellingen defect of buiten bedrijf raken. “We hebben de opstellingen getest op hufterbestendigheid. Maar het zijn allemaal eenmalige producties zonder garantie. Als de bewuste student vertrokken is, moet je hopen dat hij goede documentatie heeft achtergelaten.” Overigens vindt Van der Meer het geen ramp als er een opstelling buiten werking raakt. “Dat hoort ook bij techniek. Daar moet je eerlijk in zijn.”Technisch coördinator Bert Cornelisse beaamt dat de studenten wel eens wat over het hoofd zien. Als voorbeeld noemt hij de hangende ballenbak waarover de studenten niet hadden nagedacht hoe het ding te onderhouden. Cornelisse stelde voor er een takel boven te maken waarmee ze de opstelling konden laten zakken. En zo geschiedde. De glunderende Cornelisse heeft er veel lol in om met studenten te werken. “Ze zien wel eens wat over het hoofd, maar ze zijn soms zo verrekte snel en slim.”

Vanaf vandaag is het Science Centre open voor het publiek. Het moet proberen om komend jaar veertigduizend bezoekers te trekken, waarvan een kwart uit schoolklassen zal bestaan. “Dat moet altijd een beetje groeien”, zegt Van der Meer. “Die 20 tot 25 duizend van het Techniekmuseum halen we zeker, maar 40 duizend is misschien wat veel.” 

www.sciencecentre.tudelft.nl

themakingof.weblog.tudelft.nl/2010/09/03/science-centre-delft-open

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe