Veel promovendi durven niet van begeleider te wisselen als de samenwerking onprettig verloopt. Ze zijn bang dat het schadelijk is voor hun carrière.
De Dies 2020. (Foto ter illustratie: Marjolein van der Veldt)

Veel promovendi durven niet van begeleider te wisselen als de samenwerking onprettig verloopt. Ze zijn bang dat het schadelijk is voor hun carrière.

Translation in progress

Dat blijkt uit een enquête van het Promovendi Netwerk Nederland. Dat zette dit voorjaar een grote enquête uit onder 1.600 promovendi. Zo’n 43 procent van de respondenten heeft een begeleider die weleens ‘bedenkelijk gedrag’ vertoont: ze bagatelliseren de hoge werkdruk, zetten promovendi onder druk om extra taken op te pakken of willen co-auteur zijn terwijl ze zelf maar weinig hebben bijgedragen. Soms ontraden ze hun promovendi zelfs om kinderen te krijgen. 

Stokje
Niet voor niets heeft 1 op de 8 promovendi wel eens overwogen om van begeleider te veranderen. Van die groep slaagt uiteindelijk slechts 18 procent daarin, blijkt uit de PNN-enquête. Zo’n 20 procent van hen krijgt het niet voor elkaar om te wisselen, bijvoorbeeld omdat de promotor of een andere begeleider daar zelf een stokje voor steekt, of omdat de procedure spaak loopt door ‘bureaucratie’.

Bijna de helft van de respondenten die graag een andere begeleider zou willen, durft dit niet aan te kaarten uit angst dat ze hun promotietraject niet zullen kunnen afmaken of dat de wissel hun carrière zal schaden.  

Superster
Het is voor promovendi erg lastig om misstanden aan de kaak te stellen als hun begeleider een bepaalde status heeft, legt PNN-voorzitter Lucille Mattijssen uit. “Een van de respondenten noemt zijn begeleider letterlijk ‘one of the gods’, een klacht indienen zou ‘academic suicide’ zijn. Zo’n superster die baanbrekend onderzoek doet of grote beurzen binnensleept, krijgt van een instelling immers prioriteit boven een promovendusje onder aan de ladder.”

Het PNN moedigt het aanstellen van onafhankelijke ombudspersonen aan

Maar het zou altijd mogelijk moeten zijn om van begeleider te wisselen, vindt het PNN. De belangenvereniging pleit voor eenvoudige procedures en moedigt het aannstellen van onafhankelijke ombudspersonen aan, die namens de promovendus kunnen ingrijpen.

Vrijheid
Respondenten van de enquête werd ook gevraagd naar de mate van vrijheid die zij ervaren tijdens hun promotietraject. Opvallend hierbij zijn volgens het PNN vooral de antwoorden van de zogeheten ‘beurspromovendi’.

Aan de Rijksuniversiteit Groningen loopt een door het PNN fel bekritiseerd experiment met zo’n 850 promovendi. Ze krijgen een beurs in plaats van salaris, bouwen geen pensioen op en vallen niet onder de cao. De komende drie jaar komen er nog 650 extra plaatsen bij.

Het grote voordeel van het experiment zou zijn dat beurspromovendi meer vrijheid hebben: ze mochten zelf hun werktijd indelen, de opzet van hun onderzoek ontwerpen en ze hoefden alleen les te geven als ze dat wilden.

Maar van dat beloofde voordeel is helemaal geen sprake, stelt het PNN. De respondenten die beurspromovendus zijn, ervaren niet meer vrijheid in hun promotietraject dan ‘normale’ werknemerpromovendi.

Volgens Mattijssen is dat ook niet zo vreemd. “In de praktijk zijn beurspromovendi net zo afhankelijk van hun begeleiders als werknemerpromovendi. Het is heel moeilijk om een idee door te zetten waar je begeleider het niet mee eens is.”

HOP, Evelien Flink