Snelle en goedkope open access publicatie via internet is steeds vaker een alternatief voor de gevestigde bladen. Maar de uitgevers geven zich niet zomaar gewonnen.

Ze verzinnen zelfs modellen om extra te verdienen aan open publicaties. Wetenschappers op hun beurt pikken dat niet langer. De strijd om het wetenschappelijke publiceren is ontbrand.

De vooruitgang; het verder optuigen van het Grand Design of Natural Knowledge, daar was het de Duitse natuurfilosoof Henry Oldenburg om te doen toen hij in 1665 het Engelse tijdschrift Philosophical Transactions of the Royal Society oprichtte; ’s werelds eerste wetenschappelijke tijdschrift. Nieuwe ontdekkingen en experimenten moesten zo snel mogelijk de wereld over, dat was het idee. Het blad luidde een nieuw tijdperk in de wetenschap in.
Nu, drieënhalve eeuw later, staat er opnieuw iets groots te gebeuren. De Royal Society of London schrijft in zijn rapport ‘Science as an open enterprise’ (juni 2012) dat we op het punt staan een tweede open wetenschapsrevolutie mee te maken. Als alle publicaties en daarnaast de onderzoeksdata online staan en voor iedereen toegankelijk zijn, krijgt de wetenschap een enorme impuls. Door alles te delen en gebruik te maken van moderne computers die enorme datasets doornemen, kunnen wetenschappers veel sneller nieuwe verbanden ontdekken.

Blokkades
Opmerkelijk genoeg wordt de vooruitgang nu gehinderd door dezelfde tijdschriften die de wetenschap zoveel hebben gebracht, of beter gezegd, door de uitgevers ervan. Voor zakelijke belangen gooien ze blokkades op. Ze vragen hoge bedragen voor abonnementen op hun tijdschriften en frustreren hiermee de vrije uitwisseling van kennis. Dit tot grote ergernis van een alsmaar uitdijende groep wetenschappers en wetenschapsfinanciers die strijden voor vrije toegang tot alle wetenschappelijke output die tot stand is gekomen dankzij publieke middelen; de open access beweging.
En geef ze eens ongelijk. Je kunt je afvragen wat de toegevoegde waarde nog is van uitgevers als Elsevier, Wiley-Blackwell, Springer, Nature Publishing Group en Taylor & Francis. Vroeger verrichtten ze het zetwerk en de distributie. Maar tegenwoordig wordt alles digitaal aangeleverd en merendeels digitaal verspreid. De inhoud wordt kosteloos door de wetenschappers zelf geproduceerd. Wetenschappers beoordelen en redigeren ook kosteloos elkaars werk. De academische wereld betaalt voor abonnementen op tijdschriften die in feite door zijn eigen mensen gemaakt zijn.
Uitgevers op hun beurt stellen dat ze belangrijke functies vervullen bij het organiseren van de peer review, het archiveren en vindbaar maken van artikelen, en de opmaak. Met de oprichting van de Public Library of Science (PLoS) voor open
access vaktijdschriften en andere wetenschappelijke literatuur heeft de wetenschapsgemeenschap echter al laten zien dat ze deze taken ook zelf op zich kan nemen.
Het business model van de uitgevers leidt nogal eens tot ongeloof bij mensen buiten de wetenschap, aldus hoogleraar economie, prof.dr. John Groenewegen (faculteit Techniek, Bestuur en Management). “Als je dit op verjaardagsfeestjes zegt, dan verklaart iedereen je voor gek. Jullie doen al het werk en zij vullen hun zakken, wordt dan gezegd.”
Groenewegen zei dit eerder in Delta naar aanleiding van het bericht dat duizenden wetenschappers weigeren nog langer met Elsevier te werken. Bijna dertienduizend wetenschappers hebben dat aangegeven via een petitie die afgelopen voorjaar door de wiskundige Timothy Gowers van de universiteit van Cambridge op internet werd gezet.
Groenewegen zegt niets tegen gezonde marktwerking te hebben. Het probleem is volgens hem dat uitgevers zoals Elsevier wetenschappers in de tang nemen en zich monopolistisch gedragen. “Wij staan als wetenschappers in de rij om te publiceren in bladen van Elsevier die een hoge ranking hebben. Wij worden namelijk onder meer op basis van die publicaties door de universiteit afgerekend. Elsevier kan daarom van ons eisen dat we onze artikelen helemaal printklaar aanleveren. We krijgen er niets voor.” Deze praktijken moeten stoppen, vindt Groenewegen. Hij tekende de petitie.
Prof.dr. Jan van Neerven van de afdeling toegepaste wiskunde (faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica) is ook een van de ondertekenaars. De frustratie onder de wetenschappers is volgens hem erg groot. “Elsevier wordt door veel mensen gezien als een parasiet die alleen maar geld uit de wetenschappelijke gemeenschap probeert te halen. Onze budgetten worden afgeknepen.”

Impactfactor
De reden dat specifiek Elsevier het moet ontgelden, is dat dit bedrijf volgens Gowers op veel meer terreinen zondigt. Zo heeft het jarenlang in opdracht van farmaceuten promotiebladen gemaakt die moesten voorkomen als serieuze wetenschappelijke peer-reviewed tijdschriften. Elsevier heeft zich verder ook erg onpopulair gemaakt met het tijdschrift Chaos, Solitons and Fractals. Het bedrijf krikte de impactfactor van dat tijdschrift - een maat voor het belang van een wetenschappelijk tijdschrift – kunstmatig op door artikelen binnen die titel veel naar elkaar te laten verwijzen. Het is de vraag of de uitgevers hun huidige businessmodel nog lang kunnen volhouden. Er wordt al veel langer stevig aan hun poten gezaagd.
In 2000 tekenden bijna vierendertigduizend wetenschappers een brief waarin ze pleitten voor een non-profit open access bibliotheek. Dit heeft geleid tot de Public Library of Science (PLoS). PLoS geeft nu zeven tijdschriften uit gericht op biologie en geneeskunde. Maar er zijn nog veel meer open access tijdschriften die door wetenschappers zelf zijn opgericht. En dan zijn er nog talloze archieven waarin wetenschappers hun artikelen kunnen plaatsen, zoals de openbare preprintserver arXiv en honderden databases (repositories) van universiteiten en onderzoeksfinanciers. Zo’n twintig procent van alle publicaties over de hele wereld komt momenteel in openbare repositories terecht. Green open access heet deze methode. Het gaat dan meestal om de auteursversies van de artikelen, de versies zoals de wetenschappers ze hebben opgestuurd naar een uitgever. De opgemaakte tijdschriftversie blijft doorgaans eigendom van de uitgever.
Steeds meer onderzoeksfinanciers verplichten wetenschappers om het door hen gefinancierde onderzoek openbaar te maken, waaronder grote partijen zoals de EU, de Amerikaanse financier van geneeskundeonderzoek NIH (National Institutes of Health) en de Britse onderzoeksfinancier The Wellcome Trust. Maar de uitgevers vechten terug. Zo ontwikkelen ze hybride verdienmodellen die voor een deel open access zijn. Hiermee hopen ze nog eens extra geld uit de wetenschapsgemeenschap te kunnen slepen.
De Britse overheid liet zich hiermee in de luren leggen. Ze nam van de zomer een wet aan die stelt dat alle met publiek geld betaalde onderzoeken per april 2013 open access gepubliceerd moeten worden. Als input voor deze wet diende het rapport
‘Accessibility, sustainability, excellence: how to expand access to research publications’, dat mede door de uitgevers tot stand is gekomen.

Vrijgekocht
Verplichte open access lijkt op het eerste gezicht goed nieuws, maar dat is het allerminst. De overgang naar een open wetenschap kan hierdoor juist vertraagd worden. De uitgevers hebben de overheid er namelijk van weten te overtuigen dat deze de voorkeur moest geven aan golden open access boven green open access. Golden open access zal in de praktijk meestal betekenen dat wetenschappers publiceren bij uitgevers die hybride modellen gebruiken. De uitgevers zetten individuele artikelen, die verschijnen binnen het raamwerk van een betaald abonnement, open nadat deze artikelen zijn ‘vrijgekocht’ door de auteurs. De wetenschapper betaalt bij deze constructie dus om te publiceren, in tegenstelling tot de gangbare publicatiemethode waarbij de lezer betaalt voor het artikel.
De Britse overheid hoopt dat deze aanpak wereldwijd navolging krijgt en dat op den duur vrijwel alle artikelen via golden open access gepubliceerd worden. Op een gegeven moment ontstaat er dan een omslagpunt waarbij het voor universiteiten niet meer interessant is om er nog dure abonnementen op na te houden: vrijwel alles is dan immers vrij toegankelijk. Tot die tijd moeten de Britten dubbel betalen; ze betalen hun abonnementen en ze betalen extra om hun artikelen voor iedereen vrij toegankelijk te maken. Naar schatting zijn ze vijftig à zestig miljoen pond per jaar extra kwijt. En dat jaren achtereen.
Maar dat is nog tot daar aan toe. Wat werkelijk schadelijk is, is het feit dat de Britten met dit nobele streven de uitgevers met hun business model langer in het zadel helpen houden. Waarbij de wetenschappers het gros van het werk doen terwijl de uitgevers cashen en voorwaarden opleggen.
Op de TU Delft lijkt men er net zo over te denken. De universiteit stelt weliswaar de publicatie van artikelen in de TU Delft repository niet verplicht, maar als ondertekenaar van de zogenaamde Berlin Declaration on open access to knowledge in the sciences and humanities, stimuleert ze dit wel. Zo’n twintig procent van de wetenschappelijke output van de TU komt momenteel in de TU Delft repository terecht. De TU Delft Library streeft ernaar om dat percentage tegen 2015 op te krikken naar zeventig procent.

Eigen tijdschriften
Daarnaast is de TU Library in 2008 gestart met een fonds voor de financiering van open access publicaties. Tot vorig jaar werd er helaas ook geld uitgekeerd aan onderzoekers die via de golden open acces methode bij tijdschriften met hybride modellen wilden publiceren. Maar vanaf dit jaar wordt er alleen maar geld uitgekeerd voor publicaties waar de TU geen betaalde toegang toe heeft. Of aan uitgevers die open access als business model hanteren, doorgaans zijn dit bladen opgericht door wetenschappers zelf.
Wilma van Wezenbeek, directeur van de TU Library, licht graag de beweegredenen van de bibliotheek toe. “Het is bedrijfstechnisch en ethisch niet verantwoord dat TU Delft Library structureel een betaald abonnement heeft bij een commerciële uitgever en bij dezelfde uitgever een artikel ‘los’ koopt ten gunste van die wetenschappers die daar geen toegang toe hebben. Double dipping noemen we dit. Hiermee wordt het hybride model van de uitgevers ondersteund, terwijl dit geen structurele oplossing biedt voor het aanbieden van open access materiaal op grote schaal. Het model is voornamelijk goed voor de inkomsten van de uitgevers en dat is uiteraard geen taak van de Library.”
De TU Library doet er goed aan het alternatieve green open access model verder te stimuleren en wetenschappers aan te moedigen om zelf hun eigen open access tijdschriften op te richten; peer reviewed tijdschriften waarbij de wetenschappers uit het specifieke veld zelf alles in de hand houden. Zulke bladen komen er steeds meer. Een voorbeeld van zo’n blad is Hydrology and Earth System Sciences (HESS), waarvan prof.dr.ir Huub Savenije (CiTG) de chief editor is. HESS wordt altijd als schoolvoorbeeld genoemd als het gaat om open access die door wetenschappers zelf is georganiseerd. Zo kunnen onderzoekers en bibliotheken uitgevers onder druk zetten om afstand te doen van een verdienmodel dat parasiteert op de auteurs.

Tomas van Dijk is wetenschapsredacteur bij Delta

Update:

Hans van Iperen (werkzaam bij de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica) mailt dat in het artikel een verwijzing naar het werk van oud-bibliothecaris Leo Waaijers op zijn plek was geweest (zie reactie onderaan). Waaijers ging jaren geleden al de strijd aan met uitgevers die naar zijn mening te hoge abonnementsgelden vroegen. En niet zonder succes. Zie bijvoorbeeld de artikelen ‘Internet uitgeverij zoekt geldschieters’ en ‘Uitgeefreus Elsevier buigt voor Delftenaar’.