Overslaan en naar de inhoud gaan
De ene cum laude is de andere niet, concludeerde Delta twee jaar geleden na onderzoek. Delftse faculteiten bleken verschillende criteria te hanteren. Hoe is het nu?
Practica en projecten in groepsverband leiden tot andere scores voor cum laude, aldus collegelid Rob Mudde. (Foto: Connie van Uffelen)

De ene cum laude is de andere niet, concludeerde Delta twee jaar geleden na onderzoek. Delftse faculteiten bleken verschillende criteria te hanteren. Hoe is het nu?

Read in English

Door Mirjam van der Ploeg en Connie van Uffelen

Delta onderzocht twee jaar geleden de percentages cum laude bij alle faculteiten en de criteria bij grote afwijkingen. De percentages én de eisen voor een cum laude bleken nogal te verschillen. Voormalig collegelid Anka Mulder zei het destijds belangrijk te vinden om in overleg te gaan met examencommissies en niet te grote afwijkingen te hebben.

Over het jaar 2017 vallen weer grote verschillen op, vooral bij de bachelorstudenten. Techniek, Bestuur en Management (TBM) heeft daarbij de minste cum laudes: maar 1 procent, en Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica (EWI) de meeste: 21 procent.

Op opleidingsniveau viel het volgende op:  

  • Relatief veel cum laudes bij de master engineering and policy analysis (EPA, TBM): 30 procent (9 van de 30).
  • Relatief veel cum laudes bij de bachelor technische wiskunde (EWI): 29 procent (22 van de 76)
  • In de propedeuse fase slaagden in 2017 alleen bij de faculteit Technische Natuurwetenschappen studenten cum laude, namelijk 17 procent.

Wat is er in de afgelopen twee jaar met de voorwaarden voor een cum laude gebeurd? Zijn de regels geharmoniseerd of niet? En zouden faculteiten dezelfde regels moeten hanteren? Volgens collegelid Rob Mudde zou het percentage cum laude op ongeveer 5 tot 7 procent moeten zitten en ligt dat nu bij de bachelors op 9 procent en bij de masters op 11 procent.

‘Opleidingen verschillen, dus criteria kunnen afwijken’

De praktijk leert volgens Mudde dat algemene richtlijnen niet tot gelijke aantallen cum laudes bij alle opleidingen leiden. “Een opleiding met veel practica en projecten in groepsverband zal bijvoorbeeld een andere score laten zien dan opleidingen met voornamelijk individuele trajecten”, aldus Mudde.

De TU streeft dus voor een deel naar harmonisatie, maar houdt tegelijkertijd rekening met de verschillende effecten bij de diverse faculteiten en opleidingen. “Harmonisatie is geen doel op zich”, zegt Mudde. Hij legt uit dat examenregels per opleiding worden gemaakt en voor zover mogelijk geharmoniseerd. “Opleidingen verschillen, dus criteria kunnen afwijken. De maximale uitloop en het gemiddelde cijfer verschillen bijvoorbeeld enigszins.”

In het overleg voorzitters examencommissies komen deze verschillen regelmatig ter sprake, zegt Mudde. “Cum laude heeft daar serieuze aandacht.” Hij wijst erop dat het een paar jaar duurt voordat het effect van veranderde criteria zichtbaar is.

Verschil in motivatie bij studenten

Volgens Mudde kunnen lokale verschillen ook te maken hebben met verschillen in motivatie bij studenten. Uit een analyse zou volgens het collegelid blijken dat er soms sprake is van groepsgedrag, vooral bij buitenlandse studenten. “Zij doen er veel, zo niet alles, aan om cum laude af te studeren.” 

Bij de Nederlandse studenten is dat minder gebruikelijk en is bestuurswerk belangrijk. “Overigens is een keerzijde van streven naar excellentie verhoogde stress bij de studenten, dus kun je je afvragen of het wenselijk is om de cum laude eisen te verzwaren”, zegt Mudde. 

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe