'Send' klik ik aan in mijn mailprogramma, en dit stukje is in een paar seconden bij de redactie van Delta. Of ik dat nu vanuit Delft, Delhi of Delaware doe of vanuit de trein maakt niet uit.

Dat is technologie, ten voordele van ons beide. Van mij, omdat ik niets meer hoef uit te tikken, niets meer in een envelop te stoppen, niet meer naar het postkantoor hoef om postzegels te kopen. Maar ook ten voordele van de redactie omdat zij mijn brief niet meer open hoeven te scheuren, het stuk niet opnieuw hoeven te zetten, en het gewoon in de pagina kunnen inpassen op de manier zoals ze het zelf willen. Zo hoort technologie te zijn. Ten voordele van beide.Maar dat is niet altijd zo, en juist niet in de kleine dingen des levens. Het eerste wat ik doe als ik opsta is mij lekker nat scheren. Ik heb vroeger ooit het elektrische scheerapparaat van mijn opa gekregen, zo‘n bruingerookt crème geval met een metalen kop waaronder je kleine draaiende mesjes vreselijk hun best ziet doen. Maar ik ben gauw weer nat gaan scheren. Niet alleen vanwege de lichte weerzin tegen de scheerkop van een overledene, maar ook omdat ik de dag niet wilde beginnen met geëpileerde kaken.Ook het nat scheren is aan evolutie onderhevig. Vroeger had je brede scheermesjes die aan twee kanten sneden, en symmetrisch in het apparaat gelegd moesten worden. Die mesjes waren voor van alles te gebruiken, van het lubben van sigaren tot en met het opensnijden van je polsen als je er geen gat meer in zag. De huidige mesjes zijn wel veiliger, maar niet meer zo efficiënt: waarom zitten er anders steeds twee achter elkaar in één houdertje? En mijn drogist heeft een halve wandkast vol verschillende soorten mesjes. Het is duidelijk dat er dan niet één de beste is. Je hebt er zelfs met een vies wit streepje erop, dat een spoor van slijm op je wang achterlaat om schijngladheid te suggereren. Hier is al geen sprake meer van voordeel voor beiden. Het is een ongelijke strijd tussen scheerders en schuinsmarcheerders.Nog erger is het gesteld met scheerzeep. Er bestaat geen groter genoegen dan met een kwast de zeep diep in je poriën te wrijven. Dat schuim maak je zelf, met een scheerblok of met crème uit een tube. Maar nu schijnt er een Europese richtlijn tegen metalen tubes te zijn. Nu weet ik nooit meer of een tube leeg is, ik kan hem niet meer oprollen, en als ik het dopje te stevig aandraai knapt de hele schroefdraad af. Ik heb de hele voorraad metalen tubes van mijn kapper gekocht, maar die zijn nu op. Daarom ben ik overgegaan op Amerikaanse merken, die hebben nog wel metalen tubes. Maar in Amerika zelf kan je die ook niet meer krijgen: alleen nog maar spuitbussen. Spuitbussen! Voor scheerzeep! Het grootste genoegen van het scheren ontnemen ze ons!Het toppunt van ergernis is de handdroogmachine. Je bent de wasruimte nog maar nauwelijks binnen of je wordt al tegen de grond geslagen door de verschroeiende luchtstroom uit zo’n brulboei aan de wand. Ze proesten alle bacteriën in het rond, maar drogen doen zij niet. De haartjes op mijn hand worden mooi geföhnd, maar mijn handen blijven klam. Uit pure wanhoop veeg ik mijn handen dan maar af aan een vuile zakdoek. Hier staat de technologie niet ten dienste van de gebruiker, maar van de toiletjuffrouw. Ingenieur, weet voor wie je ontwerpt.

‘Send' klik ik aan in mijn mailprogramma, en dit stukje is in een paar seconden bij de redactie van Delta. Of ik dat nu vanuit Delft, Delhi of Delaware doe of vanuit de trein maakt niet uit. Dat is technologie, ten voordele van ons beide. Van mij, omdat ik niets meer hoef uit te tikken, niets meer in een envelop te stoppen, niet meer naar het postkantoor hoef om postzegels te kopen. Maar ook ten voordele van de redactie omdat zij mijn brief niet meer open hoeven te scheuren, het stuk niet opnieuw hoeven te zetten, en het gewoon in de pagina kunnen inpassen op de manier zoals ze het zelf willen. Zo hoort technologie te zijn. Ten voordele van beide.Maar dat is niet altijd zo, en juist niet in de kleine dingen des levens. Het eerste wat ik doe als ik opsta is mij lekker nat scheren. Ik heb vroeger ooit het elektrische scheerapparaat van mijn opa gekregen, zo'n bruingerookt crème geval met een metalen kop waaronder je kleine draaiende mesjes vreselijk hun best ziet doen. Maar ik ben gauw weer nat gaan scheren. Niet alleen vanwege de lichte weerzin tegen de scheerkop van een overledene, maar ook omdat ik de dag niet wilde beginnen met geëpileerde kaken.Ook het nat scheren is aan evolutie onderhevig. Vroeger had je brede scheermesjes die aan twee kanten sneden, en symmetrisch in het apparaat gelegd moesten worden. Die mesjes waren voor van alles te gebruiken, van het lubben van sigaren tot en met het opensnijden van je polsen als je er geen gat meer in zag. De huidige mesjes zijn wel veiliger, maar niet meer zo efficiënt: waarom zitten er anders steeds twee achter elkaar in één houdertje? En mijn drogist heeft een halve wandkast vol verschillende soorten mesjes. Het is duidelijk dat er dan niet één de beste is. Je hebt er zelfs met een vies wit streepje erop, dat een spoor van slijm op je wang achterlaat om schijngladheid te suggereren. Hier is al geen sprake meer van voordeel voor beiden. Het is een ongelijke strijd tussen scheerders en schuinsmarcheerders.Nog erger is het gesteld met scheerzeep. Er bestaat geen groter genoegen dan met een kwast de zeep diep in je poriën te wrijven. Dat schuim maak je zelf, met een scheerblok of met crème uit een tube. Maar nu schijnt er een Europese richtlijn tegen metalen tubes te zijn. Nu weet ik nooit meer of een tube leeg is, ik kan hem niet meer oprollen, en als ik het dopje te stevig aandraai knapt de hele schroefdraad af. Ik heb de hele voorraad metalen tubes van mijn kapper gekocht, maar die zijn nu op. Daarom ben ik overgegaan op Amerikaanse merken, die hebben nog wel metalen tubes. Maar in Amerika zelf kan je die ook niet meer krijgen: alleen nog maar spuitbussen. Spuitbussen! Voor scheerzeep! Het grootste genoegen van het scheren ontnemen ze ons!Het toppunt van ergernis is de handdroogmachine. Je bent de wasruimte nog maar nauwelijks binnen of je wordt al tegen de grond geslagen door de verschroeiende luchtstroom uit zo’n brulboei aan de wand. Ze proesten alle bacteriën in het rond, maar drogen doen zij niet. De haartjes op mijn hand worden mooi geföhnd, maar mijn handen blijven klam. Uit pure wanhoop veeg ik mijn handen dan maar af aan een vuile zakdoek. Hier staat de technologie niet ten dienste van de gebruiker, maar van de toiletjuffrouw. Ingenieur, weet voor wie je ontwerpt.