Het blijft moeilijk om jongeren voor techniek te interesseren. Meer wetenschappelijk onderzoek naar basis- en voortgezet onderwijs is nodig om dit te kunnen verbeteren, menen wetenschapsvoorlichters Marc de Vries en Maarten van der Sanden.

We werken ons tegenwoordig drie slagen in de rondte om jonge mensen naar techniekstudies te trekken. Immers, zij vormen de basis voor innovatie en kenniseconomie. Hun idee over techniek wordt al gevormd in het basisonderwijs en versterkt in het voortgezet onderwijs. Jammer is dat velen in deze periode erachter komen dat ze techniek saai en vies vinden. Het gaat alleen maar over apparaten, bèta is moeilijk en heeft met de gewone werkelijkheid niets van doen. Geen wonder dat je als samenleving de grootste moeite moet doen om een beter beeld van bèta en techniek tussen de jonge oren te krijgen. Met recht dweilen met de kraan open. Beter is om de kraan van een leertje te voorzien. Krabben waar het jeukt dus. Vertaald naar onderwijs: in het basis- en voortgezet onderwijs jonge mensen leren wat kraantjes en andere technieken inhouden, hoe die ontworpen en gemaakt worden, wat voor impact ze op ons hebben, maar ook hoe wij als samenleving mede vorm geven aan techniek.

Van 24 tot 28 augustus kwamen ruim vijftig onderzoekers, lerarenopleiders en curriculumontwikkelaars uit vijftien landen in Delft bij elkaar om te discussiëren over de manier waarop dat zou kunnen. De 22ste PATT (‘Pupils’ Attitudes Towards Technology’)-conferentie werd georganiseerd vanuit de sectie science education and communication (SEC) van de faculteit TNW. Een opsteker voor een opstartende groep om een dergelijk congres in de achtertuin te hebben.

AttitudeHoewel de conferentie-inhoud veel breder was dan attitudes viel dit woord wel heel regelmatig tijdens de conferentie. In veel landen lijdt het algemeen vormend onderwijs over techniek (zowel in basis- als in voortgezet onderwijs) onder een moeizaam imago. Het vak techniek wordt nog altijd vaak als een knutselvak beschouwd, vaak ten onrechte. De vakken natuurkunde en scheikunde gaan door voor moeilijk en abstract. Techniek en abstract bij elkaar brengen zou mooi zijn, want dan kan het praktische van techniek wat kleur geven op de bleke wangetjes van natuurkunde en scheikunde. Maar vaak mislukt die verbinding omdat er van de techniek niets meer terecht komt dan wat voorbeeldjes om bèta-kennis achteraf mee te illustreren. Het onderwijs blijft beperkt tot uitleggen hoe de wereld in elkaar zit. Met goed praktijkgericht onderwijskundig onderzoek zouden we erachter kunnen komen hoe het beste leraren opgeleid en ondersteund kunnen worden. Niet alleen om uit te leggen hoe de wereld in elkaar zit, maar juist om te laten zien langs welke boeiende weg wij aan die kennis komen en hoe we die benutten om de wereld tot een leefbaardere plaats te maken. De conferentie gaf daar mooie voorbeelden van. Onderwijsresearch dus als de noodzakelijke start van verbeteringen in de keten van scholier tot aan innovatieve entrepreneur.

Wie?In Nederland, maar ook in ander landen, is in vergelijking met andere soorten onderzoek, weinig geld voor onderwijsresearch. We vinden het als samenleving kennelijk niet nodig dat de opleiding van leraren gebeurt op grond van degelijk wetenschappelijk onderzoek. We zouden er niet over piekeren om onze artsen te laten opleiden op grond van onderbuikgevoelens en meningen van goeroes, maar voor leraren ligt dat blijkbaar anders. Dat is meer dan jammer of zonde, dat is desastreus voor een kenniseconomie. Als je een kraan repareert moet je het goed doen. Dat kost wat maar dan heb je ook wat. Ons college van bestuur heeft loyaal steun gegeven aan de wording van de sectie SEC, waarin nu onderwijsresearch gedaan kan worden. Het zou mooi zijn als een deel van het vele geld dat in Nederland besteed wordt, aan natuurwetenschappelijk en technisch-wetenschappelijk research aan onderzoek van basis- en voortgezet onderwijs in die vakgebieden zou worden besteed. Want wie gaat in 2020 het vervolgonderzoek doen van de experimenten die we vandaag hebben ingezet?

Marc de Vries en Maarten van der Sanden werken op de afdeling science education and communication van de faculteit Technische Natuurwetenschappen.

De TU Delft neemt allerlei maatregelen in een poging de studie beter te structureren, zoals de harde knip en straks misschien het bindend studieadvies. Maar het zijn maatregelen die het studiesucces nauwelijks zullen verbeteren, stelt Hans Seip in Delta 36. Ze leiden er vooral toe dat studenten minder verenigingsactiviteiten zullen doen, denkt hij. Daardoor missen ze ontplooiingskansen en het werkelijke probleem, de studiementaliteit, wordt er niet door aangepakt.Met de hoofdlijn van Seips betoog ben ik het eens. Het is uiterst belangrijk dat we werken aan de studiecultuur. In de uitwerking van dat punt verschillen we echter van mening.Allereerst: de harde knip gaat niet primair over studiesucces, maar over kwaliteit. Bij elke universiteit die internationaal wil  meetellen is het normaal: je kunt pas aan je master beginnen als je je bachelordiploma hebt behaald. Als je kwaliteit in het vaandel hebt - en dat hebben we - moet je heldere standaarden vaststellen.Ten tweede: een bindend studieadvies (bsa) gaat over selectie in een zo vroeg mogelijk stadium. Voor zowel de student, de medestudenten, als de universiteit is het goed als studenten van wie je redelijk zeker weet dat ze het niet zullen halen, daarover zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen. Van de Delftse studenten valt 45 procent (!) uit in de loop van de studie. Dat is heel veel. De eerste twintig procent valt het eerste jaar uit. De andere 25 procent in de loop van de zes jaren daarna. Dat is verspilling in alle opzichten: persoonlijk, maatschappelijk en financieel. Ten derde: de goede Delftse student (een vwo’er met de normale basisdiscipline) haalt een bsa en een harde knip gemakkelijk.Ten vierde: ik geloof er niks van dat een harde knip of een bsa ervoor zorgt dat de student minder aan het actieve studentenleven zal deelnemen. De hedendaagse student doet gemiddeld 7,2 jaar over een vijfjarige studie. De gemiddelde student neemt dus twee jaar extra voor andere activiteiten dan de studie. Die twee jaar verbruikt hij/zij meestal in de bachelorfase. Zou je met die marge niet een bsa of een harde knip kunnen incalculeren in je leefstijl?Hans Seip heeft helemaal gelijk: met dit soort maatregelen ben je er niet. Maar ze zijn wel belangrijk. Waarom rondt een internationale student hier in twee jaar het masterprogramma af? Omdat hij/zij slechts een visum en geld heeft voor twee jaar. Structuurprikkels werken wel degelijk. Maar ze moeten niet op zichzelf staan. Ze moeten gecompleteerd worden met andere, ondersteunende acties om de studiecultuur aan te pakken. Die twee moeten samen opgaan. Het gaat in alles om balans. Tussen structuur en cultuur, tussen regels en stimulerende acties, tussen studie en studentenleven.We weten dat culturele verandering heel moeilijk te realiseren is; toch doet de TU daar alles aan. Reeds in de voorlichting benadrukt de TU het belang van stevig studeren. Afgelopen jaren en ook dit jaar voeren wij gesprekken met de studieverenigingen, het Owee-bestuur en de studentenverenigingen om er voor te zorgen dat de hele keten van kennismakingsactiviteiten de start van het onderwijs niet in de weg zit. Dat werpt ook vruchten af. Het aantal studenten met een ‘P in 1’ neemt gestadig toe. De afgelopen jaren zijn bovendien tal van onderwijsverbeteringen doorgevoerd om ervoor te zorgen dat studenten een grotere binding krijgen met de opleiding, dat ze zich er makkelijker thuis voelen en daardoor ook gemotiveerd blijven om door te studeren (projectonderwijs, werken in kleinere groepen naast grote, opdrachten, grotere zichtbaarheid en bereikbaarheid van de docent, studiementoren en dergelijke). De strijd om meer studiesucces is echter een taaie strijd. Hij wordt gevoerd tegen een Nederlands werkveld dat vol zit met ingenieurs die er zelf ook minstens zeven jaar over hebben gedaan, tegen ouderejaars die na acht jaar nog niet afgestudeerd zijn, tegen mentoren die al in de kennismakingstijd aan nieuwe eerstejaars laten weten dat we het hier niet zo nauw nemen, tegen een studiefinancieringsstelsel dat nauwelijks prikkels kent en tegen ouders die ook denken ‘laat die jongen toch genieten’.En dat terwijl de internationale wereld steeds competitiever wordt. Wil Nederland zich in welvaart blijven wentelen, dan is kwaliteit het enige criterium. Buitenlandse studenten snappen dat heel goed en lachen om onze relaxtheid. In Nederland telt dat allemaal nog niet zo. Daar worden alle ingenieurs nog met gretigheid door de arbeidsmarkt geabsorbeerd. Op de oprukkende internationale arbeidsmarkt moet je het echter opnemen tegen ingenieurs die er korter over hebben gedaan, die ook geroeid hebben en minstens net zo goed gebekt zijn. Dan kom je niet ver als je kennelijk je eigen studie niet eens hebt kunnen managen. 

Paul Rullmann is lid van het college van bestuur.