‘Succes is meer dan studiepunten halen’

Docenten, toetsing én de inrichting van het onderwijs spelen een belangrijke rol bij het behalen van studiesucces, ontdekte Maartje van den Boogaard. “Geef studenten de ruimte om hun eigen weg te zoeken en fouten te maken. Niet iedereen studeert op dezelfde manier.”

Wat verstaat u onder studiesucces?“Ik heb het in mijn proefschrift zo breed mogelijk gedefinieerd, omdat succes voor iedereen wat anders is. We zijn geneigd te denken in termen als afstuderen of het behalen van studiepunten, maar die punten komen pas op het moment dat een student zijn opdrachten goed doet en goed in zijn vel zit. Ik heb studenten gesproken die wilden uitvinden of een bepaalde studie iets voor hen is. Als zij vervolgens zeggen dat er toch te veel wiskunde of natuurkunde in zit, zou dat een positieve uitkomst kunnen zijn.”

Wat hebt u precies gedaan?“Allereerst hebben we twee cohorten studenten intensief geïnterviewd. In 2009 ging het om eerstejaars studenten werktuigbouw, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, bouwkunde en technische natuurkunde. De uitkomsten gebruikten we als input voor een tweede ronde met meer studenten in verschillende studierichtingen.”

En wat vertelden studenten?“Studiepunten en hoge cijfers halen, noemden ze het vaakst op de vraag hoe zij succes opvatten. Anderen wilden de stof begrijpen of een goede tijd hebben. Ik sprak ook studenten die in het begin veel tegenslag hadden. Zij zeiden: ‘voor mij is succes als ik dit te boven kan komen en mijn opleiding kan afmaken.’ Succes is dus meer dan het behalen van studiepunten. Dat resoneert met studenten die het Maagdenhuis bezetten. Uiteindelijk heb ik toch gekeken naar het aantal studiepunten in het eerste jaar, maar bewust niet naar bijvoorbeeld het behaalde cijfer, want dat is arbitrair.”

Hoe ging u vervolgens te werk?“Met gegevens uit de interviews en een literatuuronderzoek maakten we een model dat we testten aan de hand van studentenenquêtes in die cohorten. We hadden een behoorlijk unieke dataset met informatie over studiekeuzeactiviteiten, motivatie, studiegedrag en behaalde studiepunten op bepaalde momenten. De belangrijkste insteek was om aan te sluiten bij de percepties van studenten: als zij het gevoel hebben dat een maatregel studiesucces in de weg zit, is de kans van slagen minimaal.”

En wat vond u?“Veel kleine correlaties en dus geen sterke verbanden in de hele groep. We hadden tachtig variabelen op basis van die interviews, zoals studiegedrag, motivatie en dispositie. Onder dat laatste versta ik studentgerelateerde kenmerken die veranderlijk zijn over de tijd, zoals prestatiemotivatie en zelfvertrouwen. Je kunt bijvoorbeeld heel gemotiveerd zijn in het begin, maar als je een docent hebt die je niet aanstaat of pech hebt met de groep of veel reistijd hebt, kan je motivatie afnemen. Het kan ook zijn dat je het hier zo leuk vindt dat je motivatie omhoog gaat. Verder hebben we veel gevraagd naar studentpercepties over de onderwijsomgeving.”

Wat kwam daaruit naar voren?“De allerbelangrijkste was: de docent. Hoe geeft die les? Kan hij goed structureren? Snapt hij waar studenten mee bezig zijn? Toetsing kwam ook vaak terug. In projecten vinden studenten het belangrijk dat ze transparante en consistente feedback krijgen, liefst op een niet-intimiderende manier. Veel studenten voelden zich daarin overweldigd. Bij examens wisten ze vaak niet goed wat er van ze verwacht werd. Verder noemden ze onderwijsorganisatie: kwaliteit en beschikbaarheid van studiematerialen, spreiding van studielast. En tot slot: studieondersteuning en faciliteiten als studieruimten, studieadviseurs. Dat waren ontiegelijk veel variabelen die correleerden, maar niks heel hoog.”

Wat bleef er na alle statistiek van uw model over?“Dat de perceptie van het onderwijsklimaat een positief effect had op motivatie, zelfvertrouwen en succesintentie van de student. Dat is goed nieuws, want dat betekent dat we als onderwijsinstelling wel degelijk iets kunnen betekenen voor hoe studenten studeren. Helaas is er geen direct verband tussen de perceptie van de onderwijsomgeving en studiegedrag. Je hoopt dat als docenten motiverend zijn, studenten aangezet worden om hun huiswerk bij te houden. Docenten blijken dat indirect te moeten doen, door studenten zelfvertrouwen te geven dat ze het daadwerkelijk kunnen. Dat zou zich vertalen in effectiever studiegedrag. Studiegedrag heeft een voorspellende waarde voor het aantal studiepunten dat studenten halen in het eerste jaar.”

Wat is vooral van belang voor studiesucces?“Het allerbelangrijkst is studiegedrag en motivatie. Daarnaast zelfvertrouwen en succesintenties: hoe sterk ben je van plan je bindend studieadvies te halen? Of de p-in-1? Studenten die hoge ambities hadden, scoorden over het algemeen hoger. Bij gedrag ging het om studiediscipline: krijg je het voor elkaar om elke dag weer die wiskundeboeken te openen? En om vaardigheden bij de omgang met een hoge studielast: ben je in staat om te plannen, stel je voor jezelf doelen en ben je in staat je daar aan te houden?”

Hoe kan de universiteit daar op inspelen?“Goede vraag. Ik had een aantal in te voeren beleidsmaatregelen willen volgen, maar door ziekte hebben we een aantal maatregelen achteraf bekeken. Onder andere invoering van het bindend studieadvies (bsa) en het modulair onderwijs.”

U concludeert dat de invoering van het bsa in 2009 vooral invloed had op prestatiemotivatie en zelfvertrouwen, maar niet direct effect had. Hoe komt dit?“Let wel: in 2009 was de norm voor het bsa nog dertig studiepunten. Misschien dachten veel studenten ‘dertig punten is de helft, daar hoef ik niet zo veel moeite voor te doen.’ Dat hoorde je in de interviews. In 2009 hadden studenten zich er nog niet echt op ingesteld. We kregen in 2010 de harde knip en later de discussie over de langstudeerboete. Door de combinatie van die maatregelen hebben studenten zich gerealiseerd dat ze echt aan de bak moesten. Dat het menens is.”

Is door die combinatie nog te meten welk effect waarvandaan komt? Dat lijkt me een probleem.“Natuurlijk is dat een probleem, er gebeurde zoveel dat je de omgeving moeilijk in beeld krijgt. De dingen die je in dit model niet ziet, zijn externe factoren als bijvoorbeeld financiën. Ik zou mij zomaar kunnen voorstellen dat dat vier jaar geleden nog geen issue was, maar straks met het sociaal leenstelsel wel.”

Is dat leenstelsel stimulans genoeg voor studenten, of zijn maatregelen als het bsa nog nodig?“We hopen natuurlijk dat dat zo is, maar het verleden geeft nooit garanties voor de toekomst. De tempobeurs is ook ooit ingevoerd met als doel studenten sneller te laten studeren en dat heeft niet het gewenste effect gehad. Je zou kunnen denken dat die maatregelen misschien nog te zacht waren en dat een leenstelsel een dusdanige extra barrière is dat dat iets gaat opleveren. Dat kun je bijna niet voorspellen. Je ziet wel bij de invoering van het bsa dat de p-in-1 omhoog ging. Dat betrof studenten voor wie het een positief effect had. Voor andere studenten werkte het blijkbaar verlammend. En dan hebben we het nog niet over studenten die mogelijk faalangst hebben. Dat wordt belangrijker, want er hangt steeds meer af van een examen.”

U onderzocht ook de invoering van modulair onderwijs bij civiele techniek. Onderwijs werd georganiseerd in kleine blokken met nooit meer dan twee vakken tegelijk en met tussentoetsen waarvan het resultaat voorwaarde was voor deelname aan het tentamen.“Dit onderzoek is inmiddels wat gedateerd, maar je zag dat studenten het modulair onderwijs heel prettig vonden, gestructureerd. Ze hadden veel minder concurrentie van vakken onderling, maar ze voelden geen duidelijke noodzaak om sneller te gaan studeren. Dus ondanks de grotere studeerbaarheid, leidde dat deels niet tot meer studierendement. Daarbij kwam ook dat die voorwaardelijkheid – eerst je tussentoetsen doen als voorwaarde voor het tentamen – niet het gewenste effect had, maar leidde tot opstoppingen van studenten.”

Moet de TU ze dan maar weer afschaffen?“Nee! Ik vind tussentoetsen geweldig. Met die tussentoetsen wil je kansen creëren voor studenten om bij te blijven, maar als het leidt tot eerder uitvallen dan alleen met een tentamen, heb je een ongewenst effect. Een vruchtbaarder uitgangspunt lijkt me de opzet die je nu veel bij faculteiten ziet: studenten kunnen óf alle deeltentamens halen óf – als ze die niet halen - alsnog het eindtentamen maken.”

Ondertussen klagen Delftse studenten over verschoolsing met al die tussentoetsen. Terecht?(Lacht) “Dat is een gewetensvraag. Wat ik van studenten heb gehoord is dat fragmentatie een probleem is. Studenten hebben een bredere opvatting over wat succesvol zijn is. Ik kan mij voorstellen dat studenten tijd nodig hebben om hun plek te vinden en uit te vinden wat voor hen werkt. Door het dicht te timmeren krijg je daar als student minder ruimte voor. Tegelijkertijd is er steeds meer druk om ervoor te zorgen dat de rendementen omhoog gaan. Misschien doen we inderdaad te veel.”

Welke aanbevelingen heeft u voor de TU?“Een van de belangrijkste is: stop met ‘one size fits all’-maatregelen en ga veel beter monitoren. Koppel informatie over motivatie en het aantal voorlichtingsactiviteiten dat een student bezocht aan andere gegevens over de student. Zoek gericht naar informatie over uitvallers. Dat kostte mij veel moeite. Voor sommige studenten is het de juiste toon op het juiste moment die maakt of ze blijven. Oppassen dus met sarcastische grapjes. Ga aandachtig om met vragen van studenten. Rooster en communiceer het onderwijs op een manier dat studenten er makkelijk mee om kunnen gaan. Een van de studenten die later uitviel vertelde me dat hij zo overweldigd was door de hoeveelheid informatie-systemen en door het gemak waarmee mensen ervan uit gingen dat je ‘het wel weet, want het staat op blackboard’. Zorg dat je dergelijke dingen goed op orde hebt.”

Wat moet de TU vooral niet doen?“De boel dichttimmeren. Geef studenten de ruimte hun eigen weg te zoeken en fouten te maken. Probeer niet te veel te verschoolsen. Probeer prudent te zijn met die reflex. Ik ben geen fan van aanwezigheidsplicht bij colleges. Daar zie ik helemaal niks in. Geen keurslijf, niet iedereen studeert op dezelfde manier. Geef ruimte voor diversiteit in het ontwerp van je onderwijs en in de maatregelen die je neemt.” 

CV

CV

CV

Maartje van den Bogaard (36) volgde een master onderwijskunde bij de Rijksuniversiteit Groningen. Ze studeerde af in 2003 na een managementcursus bij de faculteit Economics and Business en een jaartje in de Verenigde Staten voor de studie onderwijsadministratie bij de Minnesota State University Moorhead. Daarna werkte ze kort bij IVA Beleidsonderzoek en Advies in Tilburg, voordat ze in 2005 bij de TU onderwijscoördinator, docent en promovenda werd. Ze is momenteel onderwijsadviseur en -onderzoeker bij Universiteit Leiden. Ze doet bij het Centre for Engineering Education onderzoek naar curriculumverandering.