Overslaan en naar de inhoud gaan

De Nederlandse staat discrimineert Iraanse studenten en promovendi, oordeelde het gerechtshof van Den Haag in hoger beroep. Maar het kabinet is niet van plan de koers te wijzigen.

Uit angst dat Iran een atoombom ontwikkelt, hebben de Verenigde Naties in december 2006 een resolutie aangenomen: alle landen moeten voorkomen dat Iraanse onderdanen erachter komen hoe atoombommen precies gebouwd worden.

Nederland maakte hierop een eigen richtlijn. Als studenten met een Iraanse achtergrond bepaalde technische of natuurwetenschappelijke masteropleidingen willen volgen, dan moeten ze eerst een ontheffing aanvragen bij het ministerie van OCW.

Dat is discriminatie, vonden enkele Iraanse studenten en wetenschappers. Ze spanden een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat. Die wonnen ze. De staat ging in hoger beroep, maar verloor opnieuw. De sanctieregeling veronderstelt ten onrechte dat alleen mensen met de Iraanse nationaliteit een risico vormen, oordeelde de rechtbank.

De staat vond dat de rechtbank het non-discriminatiebeginsel er helemaal niet bij mocht halen, omdat de resolutie van de VN belangrijker zou zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. De VN schrijven niet voor hoe de resoluties precies moeten worden uitgevoerd. Het gaat alleen om het resultaat dat de Veiligheidsraad wil bereiken, en volgens de rechtbank hoeft de staat Iraniërs daartoe niet te discrimineren.

De staat gaat nu in cassatie bij de hoogste rechter, schrijft minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer. Bovendien zou de uitspraak alleen gelden voor degenen die de rechtszaak hebben aangespannen. Voor anderen met een Iraans paspoort blijft de sanctieregeling onverkort van kracht.

Dat laatste is onzin, zegt Behnam Taebi, een van de Iraniërs die de rechtszaak aanspande. Hij was destijds promovendus, maar is intussen universitair docent van de TU Delft, gespecialiseerd in de ethiek van kernenergie. “De rechter heeft de regeling immers niet alleen voor ons verworpen; zo bijzonder zijn wij niet. Als mensen in de Delftse reactor gevaarlijke kennis kunnen verwerven, moet de staat iedereen controleren. Niet alleen de Iraniërs, want dat is stigmatiserend.”

Onder de titel ‘Slim Studeren = Geld Beheren’ geven tien door het Nibud opgeleide studenten dit najaar bespaartips en uitleg over leningen. Studenten met een gat in hun hand zouden sneller iets van hen aannemen, dan van een professionele trainers.

Veel studenten zijn slecht op de hoogte van hun financiële situatie en kunnen niet met geld omgaan, blijkt uit een eerder dit jaar verschenen onderzoek van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud).

De afgelopen jaren steeg de gemiddelde schuld van studenten flink. Van gemiddeld tienduizend euro in 2004 met 25 procent tot 12.500 euro in 2008. Volgens de jongste verwachtingen is de minimale studieschuld van huidige studenten straks 15.360 euro. Ruim de helft van de studenten zegt te lenen omdat zij te weinig geld krijgen van hun ouders, maar 27 procent doet het “om relaxed te kunnen leven tijdens hun studententijd”.

Creditcardbedrijf Mastercard financiert de trainingen, maar heeft volgens het Nibud geen invloed op de inhoud ervan.

Deze week is overigens ‘de week van het geld’. Prinses Maxima gaf tips aan schoolkinderen hoe zij hun zakgeld beter kunnen besteden. Een derde van de Nederlandse jeugd heeft schulden of speelt om geld.

Uit angst dat Iran een atoombom ontwikkelt, hebben de Verenigde Naties in december 2006 een resolutie aangenomen: alle landen moeten voorkomen dat Iraanse onderdanen erachter komen hoe atoombommen precies gebouwd worden.

Nederland maakte hierop een eigen richtlijn. Als studenten met een Iraanse achtergrond bepaalde technische of natuurwetenschappelijke masteropleidingen willen volgen, dan moeten ze eerst een ontheffing aanvragen bij het ministerie van OCW.

Dat is discriminatie, vonden enkele Iraanse studenten en wetenschappers. Ze spanden een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat. Die wonnen ze. De staat ging in hoger beroep, maar verloor opnieuw. De sanctieregeling veronderstelt ten onrechte dat alleen mensen met de Iraanse nationaliteit een risico vormen, oordeelde de rechtbank.

De staat vond dat de rechtbank het non-discriminatiebeginsel er helemaal niet bij mocht halen, omdat de resolutie van de VN belangrijker zou zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. De VN schrijven niet voor hoe de resoluties precies moeten worden uitgevoerd. Het gaat alleen om het resultaat dat de Veiligheidsraad wil bereiken, en volgens de rechtbank hoeft de staat Iraniërs daartoe niet te discrimineren.

De staat gaat nu in cassatie bij de hoogste rechter, schrijft minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer. Bovendien zou de uitspraak alleen gelden voor degenen die de rechtszaak hebben aangespannen. Voor anderen met een Iraans paspoort blijft de sanctieregeling onverkort van kracht.

Dat laatste is onzin, zegt Behnam Taebi, een van de Iraniërs die de rechtszaak aanspande. Hij was destijds promovendus, maar is intussen universitair docent van de TU Delft, gespecialiseerd in de ethiek van kernenergie. “De rechter heeft de regeling immers niet alleen voor ons verworpen; zo bijzonder zijn wij niet. Als mensen in de Delftse reactor gevaarlijke kennis kunnen verwerven, moet de staat iedereen controleren. Niet alleen de Iraniërs, want dat is stigmatiserend.”

Lees ook:Rechtbank geeft Iraanse studenten gelijk www.delta.tudelft.nl/20695

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe