Paradoxaal genoeg heeft prestatiemeting binnen universiteiten weinig invloed op de verdeling van het onderzoeksbudget. Het ‘turven van publicaties’ heeft vooral symbolische waarde: wetenschappers gaan er doelgerichter van werken.

Publicaties tellen

Dat schrijft Mark Pen in zijn dissertatie waarop hij aanstaande vrijdag aan de TU Delft hoopt te promoveren. Hij hield faculteiten uit Rotterdam, Delft en Amsterdam tegen het licht waar het budget deels verdeeld wordt aan de hand van een prestatiemeetsysteem: hoeveel publicaties hebben de onderzoekers op hun naam, hoe goed zijn de tijdschriften waar ze in terechtkomen, hoeveel contractonderzoek halen ze binnen, enzovoorts.

“Toen ik aan het proefschrift begon, dacht ik: we gaan eens tellen welke effecten die systemen eigenlijk hebben”, zegt Mark Pen. “Ik wilde ook de perverse prikkels in kaart brengen. Maar eigenlijk hebben die systemen een zeer beperkte doorwerking. De prestatieprikkels worden aan alle kanten gedempt. Bestuurders voeren het meestal met enige bravoure in, maar de soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend.”

Want iedere academicus snapt namelijk dat perverse prikkels op de loer liggen. Om hun score te verhogen zouden onderzoekers geneigd zijn hun resultaten over verschillende publicaties te spreiden (salami-style-publishing). Of ze werken niet meer mee aan Nederlandstalige handboeken, omdat ze daarmee internationaal geen citaten scoren.

Daar houden de bestuurders rekening mee. “Het zijn intelligente managers die zelf ook weten wat onderzoek behelst”, zegt Pen, “De hoogleraar die de afdeling leidt werkt als ‘hitteschild’ tegen de ongewenste effecten van zulke systemen. Er is meestal ook een hardheidsclausule.”

Wel hebben zulke systemen een symbolische waarde. De onderzoekers gaan doelgerichter denken. Dat blijkt vooral als er een nieuwe onderzoeker wordt aangenomen. Scoort deze nieuwe collega wel hoog genoeg?

“Natuurlijk worden er allerlei robbertjes gevochten over wat je wel en niet moet meten”, aldus Pen. “Zo staan de Nederlandstalige vakpublicaties onder druk. De aandacht is inderdaad verschoven naar internationale peer reviewed journals, maar uiteindelijk blijven onderzoekers toch ook in het Nederlands publiceren.”

Aan de medische faculteit van de Erasmus Universiteit trad zelfs het omgekeerde effect op: sommige van de ‘beste’ vakgroepen kregen uiteindelijk minder geld dan de ‘zwakkere’ groepen. Want die werden op andere manieren schadeloos gesteld. “Er moet natuurlijk nog wel wat te besturen blijven.”

De onderzochte faculteiten zijn de faculteit Technische Natuurwetenschappen van de TU Delft, het Erasmus Medisch Centrum, de faculteit Economische Wetenschappen & Bedrijfskunde aan de Vrije Universiteit en de faculteit Sociale Wetenschappen (eveneens de VU).

Twee culturen ontmoetten elkaar vorige week op de HKU kunstacademie in Hilversum. 27 TU-studenten (Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica) werkten er met 46 HKU-studenten een week lang aan een computergame. Vrijdagmiddag was de deadline. Het komende half jaar werken de studenten in groepen verder aan een groter spel. Volgens docent dr.ir. Rafael Bidarra levert de ontmoeting tussen kunstenaars en techneuten behalve misverstanden ook snelle en mooie resultaten op. Zoals het spel Mass Destruction, een multiplayer game.

Publicaties tellen

Dat schrijft Mark Pen in zijn dissertatie waarop hij aanstaande vrijdag aan de TU Delft hoopt te promoveren. Hij hield faculteiten uit Rotterdam, Delft en Amsterdam tegen het licht waar het budget deels verdeeld wordt aan de hand van een prestatiemeetsysteem: hoeveel publicaties hebben de onderzoekers op hun naam, hoe goed zijn de tijdschriften waar ze in terechtkomen, hoeveel contractonderzoek halen ze binnen, enzovoorts.

“Toen ik aan het proefschrift begon, dacht ik: we gaan eens tellen welke effecten die systemen eigenlijk hebben”, zegt Mark Pen. “Ik wilde ook de perverse prikkels in kaart brengen. Maar eigenlijk hebben die systemen een zeer beperkte doorwerking. De prestatieprikkels worden aan alle kanten gedempt. Bestuurders voeren het meestal met enige bravoure in, maar de soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend.”

Want iedere academicus snapt namelijk dat perverse prikkels op de loer liggen. Om hun score te verhogen zouden onderzoekers geneigd zijn hun resultaten over verschillende publicaties te spreiden (salami-style-publishing). Of ze werken niet meer mee aan Nederlandstalige handboeken, omdat ze daarmee internationaal geen citaten scoren.

Daar houden de bestuurders rekening mee. “Het zijn intelligente managers die zelf ook weten wat onderzoek behelst”, zegt Pen, “De hoogleraar die de afdeling leidt werkt als ‘hitteschild’ tegen de ongewenste effecten van zulke systemen. Er is meestal ook een hardheidsclausule.”

Wel hebben zulke systemen een symbolische waarde. De onderzoekers gaan doelgerichter denken. Dat blijkt vooral als er een nieuwe onderzoeker wordt aangenomen. Scoort deze nieuwe collega wel hoog genoeg?

“Natuurlijk worden er allerlei robbertjes gevochten over wat je wel en niet moet meten”, aldus Pen. “Zo staan de Nederlandstalige vakpublicaties onder druk. De aandacht is inderdaad verschoven naar internationale peer reviewed journals, maar uiteindelijk blijven onderzoekers toch ook in het Nederlands publiceren.”

Aan de medische faculteit van de Erasmus Universiteit trad zelfs het omgekeerde effect op: sommige van de ‘beste’ vakgroepen kregen uiteindelijk minder geld dan de ‘zwakkere’ groepen. Want die werden op andere manieren schadeloos gesteld. “Er moet natuurlijk nog wel wat te besturen blijven.”

De onderzochte faculteiten zijn de faculteit Technische Natuurwetenschappen van de TU Delft, het Erasmus Medisch Centrum, de faculteit Economische Wetenschappen & Bedrijfskunde aan de Vrije Universiteit en de faculteit Sociale Wetenschappen (eveneens de VU).