De TU heeft het afgelopen jaar percentueel minder negatieve bindend studieadviezen uitgedeeld dan in collegejaar 2009-2010. Studenten blijken vaker en eerder te zijn gestopt.

Van alle eerstejaars die in 2010 hun studie bij de TU begonnen, mag 68 procent verder gaan met het tweede jaar. Dat is exact hetzelfde percentage als een jaar eerder. Deze studenten hebben de vereiste dertig of meer van de zestig studiepunten gehaald.

Achttien procent van de eerstejaars kreeg een negatief bindend studieadvies (bsa). Een jaar eerder was dat nog 23 procent. Het aantal stakers steeg daarentegen van zes naar tien procent. Zij stopten al vóór februari dit jaar. “Het allerbelangrijkste is dat als je uitvalt, je vroeg uitvalt”, zegt Dagmar Stadler daarover. Zij is hoofd onderwijs en studentenzaken bij de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica (EWI).
EWI deelde in studiejaar 2009 relatief de meeste negatieve bsa’s uit: 31 procent. Afgelopen jaar deden studenten het beter en kreeg 23 procent een negatief bsa. Stadler denkt dat dit komt door het nieuwe curriculum bij electrical engineering en informatica. “Daar zit meer integratie in. We hebben geprobeerd daar meer projectonderwijs en ‘maatschappij’ in te brengen, met voorbeelden. Ook vragen we studenten eerder wat er aan de hand is.”

Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek (L&R) is de faculteit die deze keer de meeste negatieve bsa’s kent: 26 procent. Bijna tweemaal zo veel als bij Industrieel Ontwerpen (IO), de faculteit die met kop en schouders boven andere faculteiten uitsteekt wat betreft positieve bsa’s: 82 procent.

Volgens directeur onderwijs Aldert Kamp heeft L&R niet net als IO grote, geïntegreerde modules in het eerste jaar. “Wij vinden het belangrijk dat studenten in dat jaar een volledig overzicht op wiskunde krijgen. En wiskunde is zwaarder.”
Ook heeft L&R meer aan activerend onderwijs gedaan met kleinere groepen. “Het kan zijn dat studenten daardoor niet toekomen aan het bijhouden van de stof”, aldus Kamp. 

www.delta.tudelft.nl/21890

Sinds 1998 werken er jaar na jaar meer wetenschappers bij de Nederlandse universiteiten. Hun rijen groeiden van 16.314 voltijdsbanen in 1998 naar 22.190 voltijdsbanen in 2009. Een toename van 36 procent.

PublicatiesDe stapel publicaties groeide nog harder. Sinds de eeuwwisseling schoot het aantal artikelen en boeken omhoog van 21.149 naar 32.236 stuks. Meer dan de helft erbij. En Nederland scoort wereldwijd goed. We staan in de top vijf van landen met de allerhoogste wetenschappelijke impact per artikel.

FinancieringBovendien krijgen Nederlandse universiteiten naar verhouding veel vrijheid bij de besteding van onderzoeksgeld. Maar liefst driekwart van alle onderzoeksfinanciering die ze kunnen besteden, zit in de ‘eerste geldstroom’, oftewel de jaarlijkse donatie van de overheid aan de universiteiten. Dat is in landen om ons heen wel anders. En nu het ministerie van OCW geleidelijk aan honderd miljoen euro weghaalt uit die eerste geldstroom, wordt dat via onderzoeksbeurzen weer verdeeld onder de beste wetenschappers: vestzak, broekzak.

OnderzoekNatuurlijk geeft Nederland naar verhouding weinig uit aan onderzoek, als je het bedrijfsleven meetelt, maar zoals een rapport vol feiten en cijfers over de wetenschap zegt: “Bij de universiteiten zien we een R&D-intensiteit die boven het gemiddelde van de referentielanden ligt.”

OverheadNog meer goed nieuws: de overhead van universiteiten is gekrompen. Waren de schoonmakers, administrateurs, reclamemakers en secretaresses in 1998 nog nipt in de meerderheid, nu is het aandeel ‘onderwijs ondersteunend personeel’ gedaald naar 44 procent.

Aanwas studentenZou het nu werkelijk zo zijn dat de grote aanwas van studenten het feestje verpest? Het moet toch geweldig zijn dat zoveel jonge mensen interesse hebben in de wetenschap? Verheffing van de massa, scholing voor iedereen. In 1998 waren er 10,3 studenten op iedere wetenschapper die in dienst was. Nu zijn dat er 13,7. Als ze af en toe eens een artikel minder publiceren, dan kunnen ze dat toch makkelijk aan?

WerkdrukDe toeloop van studenten verhoogt misschien de werkdruk, maar kennelijk raakt het universitaire personeel er nog niet overspannen van. Wetenschappers melden zich minder vaak ziek dan vroeger. Hun verzuim daalde van 1,9 procent in 2003 naar 1,7 procent in 2009. Ook de onderwijsondersteuners werden allengs gezonder: hun ziekteverzuim daalde van 5,6 naar 4,6 procent.

(De cijfers uit dit stuk komen uit het NOWT-rapport en van de website van universiteitenvereniging VSNU.)