‘Mijn professorschap  is de oplossing van een oude vraag’

Muzikant Spinvis is vanaf half maart de vierde cultural professor aan de TU. Hij wil met zijn studenten een jam van wetenschap maken. “Het proces van het maken is, los van het resultaat, een gelukzalig moment.”

Een podium vol instrumenten en vijf muzikanten die ze allemaal lijken te kunnen bespelen. Spinvis’ tournee ‘Tot ziens, Justine Keller’, langs theaterzalen in het hele land begint donderdag 7 februari met een première in Theater de Veste. De muzikaliteit spat die avond van de vier mannen en de ene vrouw op het podium af.

Middelpunt is Erik de Jong, alias Spinvis, die net zo gemakkelijk een accordeon bespeelt als een gitaar. Hij wil er zich niet op laten voorstaan, en het zal ook wel niet veel voorstellen, toch snap je waarom hij in 2012 is uitgeroepen tot best geklede man. Zijn donkere, strak gesneden pak zit als gegoten.

Hij beweegt zich wat houterig. Hier staat geen ras-entertainer op de planken. De Jongs optreden heeft iets ongemakkelijks. Niet omdat het niet goed is, juist omdat het zo puur en open is, zo zonder pose. Wie echt luistert naar de muziek, kan zich er gemakkelijk op laten wegvoeren. Al gaat het volume een paar keer flink omhoog. Op het balkon begint een jongen van een jaar of twintig zelfs even te headbangen.

Het publiek bestaat deze avond grotendeels uit dertigers en veertigers. Veel studenten zijn er niet. Toch mogen 24 van hen vanaf 15 maart meedoen aan de masterclass die De Jong geeft aan de TU Delft. Voor het thema daarvan, ‘Uit het niets’, heeft hij zich laten inspireren door het verhaal van de Franse postbode Ferdinand Cheval. Onder zijn handen ontstond in zeventig jaar tijd een bouwwerk dat nu bekend staat als het Palais Idéal: een collage van stenen die Cheval iedere dag langs de kant van de weg vond. Twee dagen vóór de première vertelt De Jong in zijn huis in Nieuwegein over zijn plannen.

Zelf bent u nooit verder gekomen dan de middelbare school. Wat kunt u de studenten leren?
“Ik weet niet of ik ze iets kan leren, maar we kunnen wel onderzoek doen naar de methode waarmee iets nieuws tot stand komt. Wetenschap en kunst zijn volkomen andere werelden, maar wat overeenkomt is dat zowel de kunstenaar als de wetenschapper iets maakt uit niets. Ze bedenken werelden die er nog niet zijn. De één doet dat omdat hij iets moois wil maken, de ander omdat hij de werkelijkheid wil ontleden. Ik ben gaan denken: wat is de methode die ik volg als ik een liedje schrijf? Ik heb dan geen plan.”

U gaat gewoon op een stoel zitten en begint?
“Ja. Zonder idee waar het over moet gaan of wat voor soort liedje het moet worden. Ik begin gewoon met de eerste stap. Daaruit komen de vervolgstappen. Als het liedje klaar is, heb ik een serie van honderden keuzes gemaakt: ga ik links, rechts of rechtdoor. Om de één of andere reden heb je een innerlijk kompas dat je daar naartoe leidt. Dat is een geheimzinnige en ondoorgrondelijke manier van werken. Toen ik de vraag kreeg of ik cultural professor wilde worden, dacht ik: is het mogelijk om mijn methode - die dus geen methode is - toe te passen op echte bètawetenschappers? Een aantal jaren geleden heb ik met Benthe Hamel een hoorspel gemaakt over Ferdinand Cheval. Daar moest ik aan denken. Dat verhaal is een mooie analogie voor wat ik ga proberen met de studenten.”

U gaat een toevallig bouwwerk laten ontstaan?
“Ik heb een methode bedacht voor 24 studenten. Die zijn verdeeld over twee groepen van twaalf, die weer zijn onderverdeeld in vier groepen van drie. Iedere groep krijgt van mij een vraag. Die vragen komt voort uit een sprookje dat ga schrijven op basis van de inzendingen van de deelnemers aan de masterclass. Ik heb hen gevraagd een kort hoorspel te maken over de toekomst van hun vakgebied.”

Wat voor vragen kunnen uit dat sprookje voortkomen?
“De eerste vraag zou kunnen zijn: hoe ziet het horloge van God eruit? Ik probeer te ontwijken dat er een van te voren bedachte opdracht ontstaat. Je kunt het vergelijken met jammen in een band. Dat is een kwestie van heel goed naar elkaar luisteren, heel goed anticiperen op wat de ander doet, daar zelf iets aan toevoegen. Zo ontstaat er muziek die niemand heeft gecomponeerd, maar die wel echt is. De masterclass wordt een jam van wetenschap, dat is het idee. De groepjes maken hun opdrachten en met wat daaruit voortkomt, schrijf ik verder aan het verhaal. In de volgende stappen groeien de groepen. We begonnen met acht groepen van drie. Daarna worden het er vier van zes studenten, daarna twee van twaalf en uiteindelijk komt iedereen samen. Waardoor ze steeds kunnen voortborduren op het DNA dat ze zelf hebben gemaakt. We eindigen met één vraag, die door de groep van 24 vormgegeven moet worden.”

Kunnen studenten wel iets met een vraag als over het horloge van God?
“Bètawetenschap is veel creatiever dan je denkt. Tijdens een rondleiding in Delft gingen we kijken bij de zonnewagen. Die wordt zo rationeel mogelijk gebouwd. Hij mag geen grammetje te veel wegen. Maar intussen is het ook een mooi ding. Mensen zijn zich er niet van bewust, maar toch ze hebben kennelijk keuzes gemaakt die met esthetiek te maken hebben.”

Wat voor beeld heeft u van de TU?
“Ik vind de doelmatigheid groot en de tijdspanne indrukwekkend. Ik sprak een jongen die bezig is met een programma om het elektriciteitsnet aan te passen op het grootschalige gebruik van elektrische auto’s. Hij maakt de toekomst vijftig jaar vooruit en denkt na over dingen die hij zelf misschien niet eens gaat gebruiken.”

Wat fascineert u aan die postbode Cheval?
“Zijn werk bestrijkt een heel leven. Hij ging verwoed door, dwangmatig. Dat soort mensen zijn altijd een stukje van hoe je zelf bent, maar dan zonder rem. Je leert over jezelf. Dat het proces  van het maken, los van het resultaat, een gelukzalig moment is. Of je er nou succes mee hebt, of niet. Dat weten veel wetenschappers natuurlijk, maar dat wil ik de studenten bijbrengen.”

Wie zijn uw leermeesters?
“Mijn vader was wis-, natuur- en scheikundeleraar. Echt een bèta. Mijn broer ook, die is nu iets hoogs bij Microsoft. Zij zaten altijd aan tafel te praten over wiskunde, over stellingen, over bewijzen, over logica. Over taal, want ook wiskunde is taal. Ik ben opgegroeid in een gezin waarin het altijd ging over rationeel taalgebruik. Ik ben anders van inslag, maar heb daar veel van meegekregen. Ik vind het heel bijzonder dat ik cultural professor word aan de TU. Het is de oplossing van een heel oude vraag.”

De Jong komt uit een Utrechts gezin waar volgens het gedachtegoed van de jaren zestig niet veel discipline heerste. “Het was heel liefdevol en ik heb een goede jeugd gehad, maar mijn ouders hebben er niet op gehamerd dat ik een opleiding moest afmaken. Zij dachten: het zal wel goed komen. Een heel andere cultuur dan nu, die bestaat niet meer.”
De Jong kon zijn eigen gang gaan. School maakte hij niet af. Jarenlang speelde hij in punkbandjes, jarenlang blowde hij. Werken deed hij in de fabriek en bij de PTT als postsorteerder. Het grote succes kwam pas na zijn veertigste.
Het gebrek aan discipline thuis had voor- en nadelen. “Het nadeel was dat ik nooit iets afmaakte, altijd van het ene in het andere avontuur verzeilde. Het voordeel is dat ik mijn dromen niet ben vergeten. Anders was ik waarschijnlijk ergens in een carrière terecht gekomen.”
De Jong denkt dat hij met een opleiding wel veel tijd had kunnen besparen. Van zijn zeventiende tot zijn veertigste werkte hij in de fabriek. “Dat was prima, want ik hoefde alleen maar fysiek aanwezig te zijn. Mijn hoofd was vrij.”
Toch voelde hij de druk langzaam toenemen: Erik, wordt het nu nog wat met jou?
“Het had ook te maken met kinderen krijgen. Opeens had ik geen zeeën van tijd meer. Om de één of andere reden lukte het in die paar uurtjes wel om iets af te krijgen, omdat het nou eenmaal moest.” Dat voedde zijn ambitie. Hij koos ervoor in het Nederlands te gaan zingen. “Het was eng, zingen over wat ik echt voelde, maar ik heb het gedaan. Toen hoorde ik in die opnames iets wat ik echt tof vond: de combinatie van mijn stem en die woorden. Er zat een Hollandse romantiek in waar ik altijd van gedroomd had. Dat heb ik opgestuurd naar Excelsior, nog steeds mijn platenmaatschappij, toen was het heel snel goed.”

Hollandse romantiek, dat klinkt niet echt stoer. Wat vonden de mensen met wie u altijd speelde daarvan?
“Die waren al weg. Dat is de tragiek van het bandjesleven. Voor de meeste mensen is spelen in een bandje iets wat je doet in je jeugd. Daarna begint het echte leven. Dat is mij bespaard gebleven. Een jaar nadat mijn eerste cd uit was, kon ik er al van leven. Het was echt fantastisch toen ik mijn baantje bij de PTT kon opzeggen. Heerlijk. Aan de andere kant: die periode uit mijn leven is nog steeds mijn kapitaal. Daar schrijf ik over, over de levens van al die mensen. Op de werkvloer heb je een soort gedwongen vriendschap met elkaar. Je moet het samen doen. Als je daar goed je ogen en oren open zet, dan kom je ontzettend veel levensverhalen tegen. De laatste tijd denk ik vaak: het leven dat je hebt, is helemaal niet op basis van eigen keuzes zo gelopen. Er zijn zoveel omstandigheden in je leven die niet jouw keuze waren. Dat begint al bij de vader en moeder bij wie je geboren wordt. Je hebt maar heel weinig speling eigenlijk.”

Uw laatste cd liet zes jaar op zich wachten. Hoe zit dat met de volgende?
“Ik heb al veel liedjes liggen, maar ik moet een beetje uitkijken dat ik niet alleen maar leuke dingen doe in de periferie van wat ik wil. Dat professorschap vind ik te gek en ik ga er iets moois van maken. Dat is vaak met dingen die mensen aan je vragen: alles is leuk en ik doe het allemaal graag. Maar ik heb niet het eeuwige leven.”

Moeten studenten uw muziek kennen?
“Nee hoor, mijn ego hoeft niet gestreeld. Daar ben ik klaar mee. Ik vind het juist fijn als we blanco beginnen. Ik weet niet wat het eindproduct gaat worden, maar ik weet wel hoe ik daar wil komen. We moeten een taal vinden waardoor we allemaal in staat zijn iets toe te voegen aan wat we aan het bouwen zijn. De toren van Babel.”

Spinvis hield 15 maart zijn intreerede als cultural professor. Op 25 april laat hij de science fiction-film Sunshine zien. De vertoning en de bespreking van die film zijn openbaar. Op 7 juni houdt Spinvis zijn uittreerede. Dan presenteren hij en zijn studenten hun eindresultaat.
 

CV
Spinvis is de artiestennaam van Erik de Jong (52). In 2002 maakte hij zijn debuut. De muziek op die plaat had hij zelf gecomponeerd, op zijn zolderkamer. Nog steeds maakt hij alle muziek voor zijn opnames zelf. De band komt pas in beeld als er optredens aankomen. In 2004 won De Jong een Zilveren Harp. In datzelfde jaar componeerde hij de muziek voor de film Medea van Theo van Gogh, later volgden andere films. In 2005 lag er een nieuw album: Dagen van Gras, Dagen van stro. In 2011 volgde zijn derde album: Tot ziens, Justine Keller. In de tussentijd deed Spinvis vele projecten en won hij de Popprijs (2007) en de Johnny van Doornprijs (2010). Spinvis schrijft momenteel onder meer muziek voor Rob de Nijs. Volgend jaar wil hij zijn artistieke geluk beproeven in Frankrijk. Zijn liedjes worden vertaald en hij heeft Franse les. De Jong is getrouwd en heeft twee zoons. De oudste doet de kunstacademie, de jongste wil informatica gaan studeren in Delft.