Science in Transition maakt veel los met haar waarschuwing dat de beloningsprikkels in de wetenschap pervers zijn. Maar aan de TU blijft het nagenoeg stil. Is men hier immuun voor perverse prikkels?

Volgens de leden van Science in Transition pimpen onderzoekers matige studies op om in toonaangevende bladen als Nature te komen. Verder zou de peer review ernstig te kort schieten, belangenverstrengeling op de loer liggen bij onderzoek dat door het bedrijfsleven betaald wordt, ondeugdelijk promotiewerk toch de eindstreep halen omdat de universiteit anders geld misloopt en bevindingen zelden geverifieerd worden door collega-wetenschappers omdat tijdschriften niet geïnteresseerd zijn in herhaalonderzoek.

Is het werkelijk zo slecht gesteld met ‘de wetenschap’? Drie TU-onderzoekers stuurden op verzoek een kort opiniestuk over deze kwestie; filosoof dr. Behnam Taebi (TBM), docent onderzoeksintegriteit dr. David Koepsell (TBM) en prof.dr. Jack Pronk (TNW). Zie het artikel ‘Science in Transition waarschuwt er terecht voor: de wegwijzers in de wetenschap vertonen niet zelden eurotekentjes’.

Ondanks deze inzendingen lijkt de discussie weinig te leven in Delft. Dit terwijl elders in het land debatten worden georganiseerd en Science in Transition zelfs lokale afdelingen wil oprichten. Vanwaar het lauwe onthaal in Delft?

Mogelijk heeft dat te maken met het feit dat het soort onderzoek dat aan de TU plaatsvindt minder fraudegevoelig is dan dat binnen andere takken van de wetenschap. Dat oppert althans rector Karel Luyben. “In de harde wetenschappen begin je een onderzoek door te reproduceren wat andere onderzoekers al vóór jou gedaan hebben. Dat is een buffer tegen fraude. Als je bijvoorbeeld metingen wilt doen aan Majoranas, zul je deze deeltjes wel eerst moeten maken. Dat is je startpunt.”

Volgens Luyben is het dan ook een drogredenering om te veronderstellen dat onderzoek vrijwel nooit geverifieerd wordt omdat prominente tijdschriften niet geïnteresseerd zouden zijn in herhaalonderzoek.

Luyben: “Als bij herhaling blijkt dat jij, en ook andere collega’s, er niet in slagen om bepaalde bevindingen te reproduceren, dan publiceer je erover. In andere wetenschappen, zoals de sociologie, is de verificatie van onderzoek moeilijker. Ik zeg niet dat fraude daar plaatsvindt, maar het is daar wel makkelijker om te frauderen.”
En wat belangenverstrengeling betreft: “Ik heb geen enkele reden om te veronderstellen dat onderzoekers niet eerlijk zouden zijn over hun belangen.”

Ook denkt de rector niet dat de kwaliteit van promoties in het geding komt door een perverse financiële prikkel. “Voor zover er al een prikkel van de overheid uitgaat om op kwantiteit aan te sturen, nemen wij die zoveel mogelijk weg. Wij hebben een budgettair toewijzingsysteem waarbij we het grootste gedeelte van onze middelen verdelen in de vorm van vaste bedragen. Dit doen we doelbewust om op kwaliteit aan te sturen.”

Biotechnoloog prof.dr.ir. Mark van Loosdrecht (TNW) zegt dat het hem niet verbaast dat de discussie over perverse prikkels is aangezwengeld door onderzoekers uit de medische hoek. “In de medische sector is de kat dichter op het spek gebonden. Klinische trials bepalen of medicijnen toegelaten worden. Daar zijn grote belangen mee gemoeid. Men trekt vaak veel statistiek uit de kast om aan te tonen of een bepaalde stof werkzaam is of niet. Vervolgens wordt er een verhaal omheen gehangen om bepaalde causale verbanden aannemelijk te maken. Dit soort onderzoek moet je niet serieus nemen.”

Perverse prikkels die onderzoekers aanzetten om te sjoemelen met data zodat ze in toonaangevende bladen terechtkomen vind je volgens Van Loosdrecht in landen als China en Singapore. “Daar hangt je salaris als onderzoeker af van hoe vaak je publiceert in zulke tijdschriften. Dat werkt fraude in de hand. Maar dat mensen hier in Nederland ook frauderen om in Science of Nature te staan, komt niet door een verkeerd wetenschappelijke systeem. Dat heeft met ego te maken. Wat voor systeem je ook hebt, altijd zullen er mensen zijn voor wie de apenrots het allerbelangrijkst is. Zeggen dat het systeem hier helemaal verkeerd is, is aandachttrekkerij.”

Dat onderzoekers niet altijd duidelijk maken welke belangen ze dienen, onderschrijft Van Loosdrecht deels. “Dat gebeurt inderdaad misschien niet altijd even helder. Ik weet nog dat we vroeger een hoogleraar hadden die een dag in de week onderzoek deed naar fosfaat in het milieu en daarnaast directeur was van het grootste fosfaatbedrijf van Nederland. Hij deed uitspraken over fosfaat zonder erbij te vermelden dat hij ook directeur was van dat bedrijf. Maar meestal hebben Delftse onderzoekers minder direct persoonlijk belang bij onderzoeksuitkomsten.”

Ook ziet de biotechnoloog in dat er een foute prikkel is bij het aannemen en begeleiden van promovendi. “Promovendi hebben soms moeite om hun verhaal op papier te zetten. Ik denk dat er begeleiders zijn die uiteindelijk de artikelen voor de promovendi schrijven. Doen ze dat niet, dan schieten ze er financieel bij in. (Universiteiten krijgen negentigduizend euro van de overheid per promotie, red. TvD) Maar ik denk niet dat dat hun voornaamste drijfveer is. Er liggen onderzoeksresultaten, en het is zonde om die niet naar buiten te brengen.”

“Dat professoren alsmaar meer promovendi zouden aannemen vanwege het geld klopt niet. Bij de meeste Nederlands universiteiten heb je de financiering voor een heel eind rond als je per vast staflid drie promovendi hebt. Meer promovendi aannemen is dan financieel gezien niet direct interessant.”