De woningnood loopt uit de hand. Er is een tekort van ongeveer dertigduizend studentenkamers, stelt de Landelijke Studenten Vakbond. Dat zijn er tienduizend meer dan vorig jaar.

Bestuurslid Marieke van den Berg van Abvakabo FNV bevestigt geruchten over een akkoord dat op handen zou zijn. De onderhandelingen gaan volgens haar de goede kant op, maar ze laat in het midden of de door de bonden gewraakte nullijn voor de salarissen verlaten is.

“We zijn er nog niet”, tempert VSNU-onderhandelaar Hugo Levie de verwachtingen. “Er moet nog wat water onder de brug door.”

“Een student die in Utrecht een masteropleiding gaat volgen, heeft een diploma voor hij een kamer heeft kunnen vinden”, aldus voorzitter Pascal ten Have van de LSVb. Want in Utrecht is de wachttijd voor een kamer intussen opgelopen tot 21 maanden. Voor zelfstandige woonruimten moeten studenten nog meer geduld hebben: zestig maanden.

De studentenvakbond heeft cijfers opgevraagd bij de gemeenten en studentenhuisvesters. “Waarschijnlijk is de woningnood nog hoger dan uit dit overzicht blijkt”, zegt voorzitter Pascal ten Have, “want de particuliere markt valt buiten deze cijfers.”

De LSVb gaat ervan uit dat de studenten bij hun ouders blijven wonen zolang ze op de wachtlijst staan. Jongeren zullen de kamernood laten meewegen in hun studiekeuze, vreest de vakbond, terwijl ze eigenlijk zouden moeten kiezen op basis van het onderwijs.

Er zijn ook steden waar geen kamernood heerst, zoals Rotterdam, Enschede, Tilburg, Groningen en Den Bosch. Maar daar is een ‘kwalitatief tekort’, zeggen de gemeenten zelf. “Het aanbod sluit niet goed aan op de vraag”, verduidelijkt Ten Have.

Opvallend zijn de cijfers over Eindhoven: die gemeente geeft aan dat er geen gebrek aan studentenkamers is, maar de wachttijd is daar inmiddels opgelopen tot 22 maanden. “Dus daar klopt iets niet”, vermoedt Ten Have. “Waarschijnlijk is daar wel een tekort.”

Later deze week brengt de LSVb een rapport met de cijfers en een analyse naar buiten.