TU Delft preaches interdisciplinarity like a religion. “Let them put their money where their mouth is”, says architecture student Chris de Vries. Setting up a course for students from different universities, or even faculties, turned out to be impossible.

Aspiring a career at a large multinational, developing an amazing graduation project, or trying to start your own architectural firm, every TU Delft student will face the moment where the task that lies ahead requires more than the competences and skills just acquired at the university.This moment, which is often seen as a limiting threshold, or a task to outsource, is actually the first moment where complexities of reality collide with the theoretical set up of our academic structures. The unprecedented challenges of the future, with notions as sustainability and globalization, transcend the efforts of the individual or any profession, and inherently require transdisciplinary approaches. Last year, as a student of the faculty of architecture, I set up a master project called Urban Emergencies, a study that aims to get a better understanding at the process of redevelopment after natural disaster (www.urbanemergencies.org). The processes that emerge after a natural disaster, condense the complexities of centuries of development into a short period. Besides the lack of time, tremendous funds, and an abundance of national and international stakeholders further complicate this process; obviously a task that requires more than a single architect, manager, sociologist or whatever professional by himself. This is why the project we initially proposed, entailed collaborations between the various universities of the Netherlands: lawyers from the University of Maastricht, technicians from the TU Delft, sociologists the University of Amsterdam, and so on. Because it was a pilot project, we realized this initial set up was a bit ambitious, and we decided to attempt to have it accredited as an interfaculty project at the TU Delft alone.We soon found out, that there is no platform, nor structure for such an approach within the TU Delft, and even if we got such a project ECTS accredited, the required courses at other faculties would make it impossible for students to enroll. Eventually, getting the project to run within the three different graduation tracks of the faculty of architecture, required a lot of favors and people to turn a blind eye once and a while to get it all done. Not because anyone opposed the plan, but because the current curriculum doesn’t allow such initiative: it was more difficult to get the University’s praise, than that of the United Nations.Although there is a lot of talk about minors, electives, and cross enrolling, there is no structural platform where students are challenged to collaborate within the TU Delft on global issues.  This is even more remarkable given it is constantly being addressed to at conferences and symposia at the TU Delft.An example could be taken from MIT, where the best student research proposals each year receive funding according to the amount of different disciplines involved. Not only would such an approach stimulate the inter-disciplinarity at the TU Delft, it would also encourage students to act proactively and competitively during their study. For me this was also the reason to apply at MIT, and I am happy to say I will be continuing my master degree there next year.For the TU Delft it is time to put their money where their mouth is, and start making inter-disciplinarity a part of the TU Delft way of studying. A start would be to critically analyze the flaws in the current curriculum structure, which make collaborations between faculties, not to mention universities, extremely difficult, and to start actively supporting projects that aim to break through these boundaries in seek of collaboration. This could start out as a contest for Msc students. Students would be challenged to write a project proposal. The most convincing project, which proves the added value of working interdisciplinary, would then be granted a budget, ects-accrediting (regardless of the study), and the support of a team of appropriate professors from various faculties. Later, this model could be expanded, offering support to several teams a year. The project would become a trademark of the TU Delft; attracting talent from around the world, and producing benchmark research.

Chris de Vries studeert bouwkunde. 

"Dat klopt, ja, vooral Chinezen kopen ze graag”, antwoordt verkoper Marc Leuftink op de vraag of buitenlandse studenten een voorkeur hebben voor kinderfietsen. “Ze kopen dan fietsen met een wielmaat van 24 inch, in plaats van de 28 inch-versies die voor volwassenen gebruikelijk zijn.”Leuftink (uit Amsterdam) verkocht afgelopen Owee fietsen aan nieuw gearriveerde buitenlandse studenten met mobiliteitsproblemen. Een lucratieve business: “De kinderfietsen liepen hard. Tijdens de introductieweek verkocht ik er ongeveer veertig. Daar doe ik normaal een jaar over.”De reden dat buitenlandse studenten een kinderfiets willen, is volgens hem simpel. “Het gaat om het veiligheidsgevoel.” Maar is dat echt de reden? Op zoek naar buitenlandse studenten op kleine fietsjes om ons wijzer te maken, belanden we bij de spaceboxen aan de Leeghwaterstraat, thuishaven van buitenlandse studenten. Bij het fietsenrek, dat overigens inderdaad voor iets minder dan de helft gevuld is met kindermodellen, komt Donna Namujju net aankarren op een eigenlijk te kleine meisjesfiets. De tweedejaars masterstudent engineering and policy analysis, oorspronkelijk uit Oeganda, vertelt dat ze pas in Nederland heeft leren fietsen. Daarom is ze in het verkeer nog niet zo zeker van zichzelf. “Op deze fiets zitten je voeten dicht bij de grond, daar voel ik me veiliger bij.” De fiets is overigens niet afkomstig uit de handel van Leuftink. “Ik heb ‘m gekocht van een oude Turkse man. Zodra je hier weer weggaat, kun je de fiets aan hem terugverkopen. Handig.” Of het legale handel betreft, wordt niet duidelijk. “Nee, hij heeft geen winkel”, vertelt Namujju, “hij is ‘mobiel’.”Ook Nan Zhing, in het tweede jaar van zijn master civiele techniek, heeft zijn fiets op een unieke manier bemachtigd: “Ik heb ‘m hier bij het fietsenrek gekocht van iemand die er op rondreed. Hij had ‘m niet meer nodig. De fiets kostte maar twintig euro.” Overigens rijdt Zhing niet op een kindermodel, maar op een stoere zilvergrijze mountainbike. “Ik kan met deze fiets prima uit de voeten, ik heb geen andere nodig.”Ziyi Cao, eerstejaars masterstudent bouwkunde, sluit weer wel aan bij de kinderfietstrend. Ook bij haar blijkt veiligheid een belangrijke overweging. “Ik kan snel van deze fiets afspringen als er een ongeluk is.” Maar in het geval van Cao – niet veel groter dan één meter vijftig – speelt ook nog iets anders mee. “Gewone fietsen zijn een beetje te groot voor me”, vertelt ze met een glimlach.” Tot slot komt ‘Velly’ aanfietsen op haar roze kindermountainbike. De eerstejaars masterstudent management technology uit Indonesië legt enthousiast uit hoe veilig haar fiets is: “Kijk, er zitten twee remmen op, eentje voor en eentje achter! Ik sta dus heel snel stil als dat nodig is.”Een verdere blik op de goedgevulde fietsenrekken leert dat niet alleen kinderfietsen populair zijn. Tussen de vele kleurige kleine rijwielen, treffen we namelijk ook relatief veel vouwfietsen aan. Wonen hier soms stiekem forenzen? Leuftink denkt van niet: “Op zo’n vouwfiets kun je nog doorgroeien. Ze zijn te verstellen van heel klein, zeg maar bijna opgevouwen, tot wel één meter tachtig of één meter negentig.” Een fiets op de groei dus, voor de fietser die langzaam aan zelfvertrouwen wint.Verdere trends of voorkeuren heeft Leuftink onder de buitenlandse studenten niet waargenomen. “Er zijn geen populaire kleuren ofzo.” Dan, gekscherend: “Eigenlijk is de enige eis dat er zo min mogelijk kleur uit de portemonnee verdwijnt. De fietsen lopen van ongeveer 45 tot 300 euro, afhankelijk van wat ik op voorraad heb. De goedkoopste zijn in die week natuurlijk het eerst weg. Het blijven tenslotte wel studenten.”