’Ik ben didactisch heel goed’

“Ik durf te stellen dat ik iedereen op een voldoende kan krijgen voor wiskunde of rekenen, als ze op het goede schoolniveau zitten.” Lonneke Boels zegt het soms wat onwennig, maar ze draait er niet omheen: ze is goed in haar werk, zowel inhoudelijk als didactisch.

Op alle niveaus, van de basisschool tot de universiteit, geeft ze bijles en examentraining rekenen en wiskunde. Ook is ze docent op een middelbare school.

WIE IS LONNEKE BOELS?
Naam: Lonneke Boels (45)
Woonplaats: Delft
Verliefd, verloofd, getrouwd: Getrouwd, vijf kinderen, van wie twee pleegkinderen.
Studie: Elektrotechniek
Afstudeerjaar: 1991
Afstudeeronderzoek: Het verkleinen van het risico op instabiliteit van eilandbedrijven, bedrijven die hun eigen stroom opwekken.
Loopbaan: Na afstuderen eerst even gewerkt via een uitzendbureau. Daarna tien jaar milieuadviseur bij onderzoeks- en adviesbureau CE Delft. Na een sabbatical dat daarop volgde, deed Boels de lerarenopleiding van de TU, de Tulo. Na drie maanden lesgeven op een basisschool, maakte zij de overstap naar het voortgezet onderwijs. Eerst werkte ze vijf jaar op het Alfrink College in Zoetermeer. In 2007 ging zij aan de slag op het Christelijk Lyceum Delft. In datzelfde jaar begon zij haar eigen bijlesbedrijf Alaka.  

Geen glimmend kantoorpand op een bedrijventerrein, geen statig herenhuis aan de gracht; het bijles- en examentrainingsbedrijf Alaka van Lonneke Boels (45) is gewoon gevestigd in de omgebouwde garage van haar woning in een Delftse nieuwbouwwijk. Het is vakantie en haar zoon doet de deur open. Bij binnenkomst is rechts de keuken en links de werkkamer waar dagelijks de kennis van scholieren, maar steeds vaker ook van TU-studenten, wordt bijgespijkerd. De kamer staat vol bureautjes met werkspullen. In de kasten die twee wanden bedekken staan rijen lesboeken strak in het gelid. Door de vakantie blijven deze week de bureautjes leeg.

Boels werkt twee dagen per week als docent wiskunde aan het Christelijk Lyceum Delft (CLD), bij haar letterlijk om de hoek. De andere drie dagen – ‘in de praktijk zijn het er vijf’- steekt ze in Alaka. Ze werkt zestig tot zeventig uur in de week en heeft duidelijk passie voor haar vak.

Niet dat Boels meteen na haar studie elektrotechniek aan de TU Delft in 1991 voor het onderwijs koos. Eerst werkte ze tien jaar bij CE Delft, een energie- en milieubeleidsbureau. Daar gaf ze milieuadvies, een baan die goed aansloot op haar zelfgekozen afstudeeronderwerp bij de vakgroep energievoorziening.
Voor haar afstuderen deed ze in opdracht van de AVR (Afvalverwerking Rotterdam) onderzoek naar het verkleinen van het risico op instabiliteit van de stroomvoorziening als het bedrijf functioneert als eilandbedrijf. Dat laatste betekent dat het bedrijf zijn eigen stroom levert in geval van nood.

Na tien jaar bij CE Delft was Boels het geven van milieuadvies ‘een beetje zat’. “En eigenlijk lag mijn hart bij het onderwijs.” Ze gaf tijdens haar studie aan de TU al lessen wiskunde en informatica op een MTS. Tijdens haar werk bij CE Delft gaf ze geregeld cursussen voor het bedrijfsleven. Boels was eerst een beetje huiverig voor een echte overstap. “Mijn ouders zaten in het onderwijs, dus ik wist wat dat betekende: vakanties en weekenden doorwerken.”

Toch werkte ze al tijdens haar laatste zes maanden bij CE Delft als docent op een Pabo, waar ze al gauw merkte dat het haar ontbrak aan didactische vaardigheden. “Ik heb daar een aantal klassieke beginnersfouten gemaakt. Ik had niet veel tijd gehad om me op voorhand in de stof te verdiepen en toen heb ik tegen mijn studenten gezegd: ‘ik weet evenveel als jullie’. Natuurlijk was dat niet zo, maar ik kreeg wel ordeproblemen. Gelukkig heb ik me daar niet door uit het veld laten slaan.”

Boels nam een sabbatical en ging naar de lerarenopleiding van de TU, de Tulo, om haar lesbevoegdheid te halen. Met die bevoegdheid op zak kwam ze eerst drie maanden op een basisschool terecht. Daarna werkte ze bijna vijf jaar als docent op het Alfrink College in Zoetermeer. Toen er een vacature vrijkwam bij het Christelijk Lyceum Delft verhuisde ze, nu vijf jaar geleden, daarheen. Ze kende de school al, want ze had er stage gelopen en haar twee pleegkinderen gingen erheen.

Als docent op de middelbare school heeft Boels inmiddels bijna alle leerjaren in de klas gehad. Dit jaar geeft ze wiskunde A aan 5 en 6 vwo. Ze gebruikt daarbij niet de standaard lesmethode. “Ik geef verlengde instructie. Dat betekent dat ik heel kort de theorie uitleg en dat ik dan met een klein groepje stap voor stap opdrachten ga uitleggen. Niet veel docenten doen het zo, maar het werkt heel goed. Ik leg de lat hoog.”

Op school houdt Boels zich ook bezig met het rekenbeleid. Daar gaat namelijk landelijk weer wat veranderen: “We krijgen extra rekenexamens, officieel heten ze trouwens toets. Daarvoor is het nodig grondig en praktisch te leren rekenen. Dat gaan we onderbrengen in allerlei vakken: wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie en economie.”

Technasium
Ook is Boels coördinator van het technasium, een nieuwe stroom op het CLD waarin kinderen leren denken als ontwerpers en onderzoekers door te werken aan concrete projecten. Dit eerste jaar is het een project in opdracht van de gemeente Delft. Die wil weten waarom ooievaars juist op een monumentale schoorsteen aan de Rotterdamseweg willen nesten. “De ene groep scholieren doet biologisch onderzoek, de ander denkt dat het met een natuurkundig principe te maken heeft. Dit vak werkt heel anders dan gewoonlijk. Normaal gesproken bepalen de docenten van te voren wat kinderen moeten kunnen. Nu kunnen de kinderen het onderzoek op verschillende manieren uitvoeren waardoor zij raken aan allerlei vakgebieden. Ze doorlopen het curriculum heel anders.”

Kort nadat Boels aan de slag ging bij het CLD begon zij haar eigen bedrijf, om een deel van haar tijd zelf in de hand te hebben. “Wat ik echt niet leuk vind van het onderwijs, is dat je tien uur krijgt en wordt geacht er vijftien uur van te maken. Dat wordt gewoon tegen je gezegd en het geldt voor alle taken op school. Dat was ik zo zat.”
Boels begon met bijlessen wiskunde en was daar naar eigen zeggen meteen succesvol in. “Ik begon met een leerling die een 5 stond voor wiskunde in 3vwo en die wiskunde B wilde kiezen. Daarvoor moest hij minimaal een 7 staan. Bij de eindtoets haalde hij een 7. Onder voorwaarde dat hij bijles bleef volgen, mocht hij wiskunde B doen. Uiteindelijk is hij met een 9 voor dat vak geslaagd.”

De website van Boels’ bijlesbedrijf staat vol met bedankjes van kinderen of hun ouders. Zoals deze: ‘Onze zoon Tom heeft nu 2 toetstrainingsdagen achter de rug en dat is aan zijn wiskundecijfer zeker te merken. In 4havo had hij alleen onvoldoendes, nu was zijn laatste toetscijfer voor wiskunde een 7,7.’

“Ik ben didactisch gewoon heel goed”, verklaart Boels haar succes. “Ik durf te stellen dat ik iedereen op een voldoende kan krijgen voor wiskunde of rekenen, als ze op het goede schoolniveau zitten. Hoe ver het cijfer daarna nog omhoog gaat, hangt af van iemands talent.” De vraag naar haar bijlessen is zo groot geworden dat ze voor sommige groepen een wachtlijst heeft.

Boels heeft vier mensen voor zich werken en nog eens drie die op afstand werk voor haar doen. Zelf geeft Boels alle varianten van wiskunde en rekenen aan alle leeftijden, en ze is specialist in kinderen die met lastigere problemen bij haar komen. “Dan moet je echt onderzoeken wat het probleem is.”

Alsof dat nog niet genoeg is, publiceert Boels regelmatig in vaktijdschriften en is ze eindredacteur voor uitgeverij Malmberg. Zij en haar werknemers hebben officiële examens gemaakt voor het mbo. Op de Haagse Hogeschool geeft Boels het vak ‘vakdidactiek rekenen bovenbouw’ aan eerstejaars pabostudenten. En ze doet nascholing voor basisschooldocenten in wiskunde, natuurwetenschap en techniek.
Het is geen verrassing dat Boels lange werkweken maakt, van tussen de zestig en zeventig uur. Maar de marges van haar bureau zijn klein. “Ik zou eigenlijk 150 procent moeten vragen van wat ik per uur vraag. Dat gaat niet, want ik heb concurrentie van studenten die bijles geven.” Waarom die concurrentie dan niet gewoon in dienst nemen? “Dat doe ik niet. Ik werk alleen met mensen die veel ervaring hebben, die liefst al met pensioen zijn.”

Boels praat met veel vertrouwen over haar vak en over zichzelf. Toch heeft het vak van docent op een middelbare school geen goed imago, niet in de laatste plaats omdat pubers geen beste naam hebben. Boels herkent dat en zegt: “In het onderwijs werken bevlogen mensen, die hart hebben voor de kinderen. Maar het is waar: soms is het echt aanpoten. Je gereedschap dat ben je zelf en kinderen houden je een spiegel voor. Ze weten feilloos je zwakke plekken te vinden.”

Ook Boels liep daar in het begin in Zoetermeer, maar ook weer in Delft tegenaan. “Toen ik begon, had ik ordeproblemen. Maar je moet jezelf voorhouden dat het eerste jaar voor iedereen doorbijten is. Kinderen testen je uit. Je moet eerst naam maken. Pas als ze zien dat je er het volgende schooljaar weer bent, krijgen ze waardering voor je. Dan pas begint het oogsten.”
Tijdens een evaluatie in een klas hoorde Boels bovendien ontroerende dingen, vertelt ze. “Ze zeiden dat ik het me niet zo moest aantrekken en dat ze het goed vonden dat ik niet alleen oog heb voor de goede scholieren, maar ook voor de mensen die niet goed zijn in wiskunde. Dat was goed om te horen.”

Sustainable cell phonesTo help buck the trend of increasingly shorter life-spans, students at the faculty of Industrial Design Engineering have designed a mobile phone that will last for at least seven years. The design primarily serves as a statement against waste. The ‘Nokia Kiva concept phone’ can last that long because the processor can be replaced each year and the battery every two years. The telephone also has more memory and greater processing power, meaning it can still be used for new, emerging applications. The students however do not expect Nokia to quickly begin producing the Kiva, as Nokia still primarily profits from new phone sales.  

Dutch citizenshipIt is going to become more difficult for foreigners to become Dutch citizens if Interior Minister Piet Hein Donner has his way. Minister Donner wants to restrict Dutch nationality to people who are capable of earning a certain minimum salary and who also have at least a vocational school degree or two years of proven work experience. He also wants candidates for Dutch citizenship to have spent at least five years living as integrated members of Dutch society, and this five-year period will also apply to unmarried foreigners living together with Dutch citizens. For foreigners married to Dutch citizens, the current three-year waiting period will remain unchanged, as this period is set in accordance with existing European Union bylaws. To receive a Dutch passport, foreigners will also have to pass a Dutch-language test.   

Learning centreTU Delft is investigating whether InHolland’s composite lab should be the focal point of a planned learning centre, instead of a new building situated near the Industrial Design Engineering faculty. For years TU Delft’s Executive Board has wanted a learning centre to serve as a solution to the growing demand for classrooms and workspaces. This learning centre must offer teamwork and study rooms for students, laboratory spaces for teachers, project areas and classrooms, all equipped with the latest ICT and communication facilities. Although there has long been a preference for constructing new buildings, given the university-wide reappraisals currently underway, the Executive Board is taking a critical view toward determining ‘what the most efficient and effective approach is’. In late June the university’s facility management and real estate department will publish the findings of an investigative study.