Huisjongste

Bart Gramberg is vierdejaars student industrieel ontwerpen en woont in het Virgielhuis ‘de Hippohoeve’ op de Hyppolytusbuurt. Hij is nu al 2,5 jaar de jongste in huis: de oude lullen weigeren te verhuizen.

Na al die tijd is hij nog steeds degene die koffie zet, maar de overige HJ-taken zijn een beetje verwaterd. Als gevolg van een gewonnen weddenschap mag hij nu zelfs een achtstejaars huisoudste opdracht geven de wc te poetsen. Mocht er ooit een nieuwe HJ komen: die kan zijn borst natmaken. Bart zegt helemaal los te gaan op de nieuwe HJ als hij na al die tijd geen jongste meer is. 

Onderzoeksbureau TNO keek naar de twaalf
universiteitssteden plus Den Haag en berekende de impact van universiteiten,
hogescholen, academische ziekenhuizen en onderzoekscentra op de lokale
economie. De onderzoeker keek dus niet naar het belang van een hoog opgeleide
bevolking voor heel Nederland, maar naar de directe effecten van het
kennisbedrijf binnen de stadsmuren.

En die zijn fors. In Wageningen is de
werkgelegendheid voor meer dan de helft te danken aan hoger onderwijs en
R&D-bedrijfjes. In de grote steden Amsterdam en Rotterdam is dat aandeel
een stuk lager, maar nog altijd 7,7 en 8,2 procent van de hele werkgelegenheid
in de stad. Tilburg merkt het minst van zijn universiteit, die slechts 5,7
procent van de werkgelegenheid voor haar rekening neemt; Tilburg is niet groot,
maar de universiteit is nog kleiner. Den Haag heeft wel een hogeschool, maar
geen universiteit en dus is de impact daar slechts 2,2 procent.

Maar al die werknemers en studenten hebben ook
voor afgeleide banen. Denk aan barkeepers, kantoorboekhandelaren en kruideniers.
Negen banen in het hoger onderwijs en R&D leveren de lokale economie gemiddeld
twee afgeleide banen op. In sommige steden is dat effect sterker dan in andere.
Groningen, Nijmegen en Rotterdam merken er het minst van. Daar zijn tien banen
in het hoger onderwijs nodig voor twee banen eromheen. Maar in Delft, Enschede,
Eindhoven, Wageningen en Tilburg is het effect sterker merkbaar: tien banen in
het hoger onderwijs leveren daar drie afgeleide banen op.

Eigenlijk is dit effect niet eens zo sterk,
vergeleken met het effect van pakweg een nieuwe V&D-vestiging of een nieuwe
bowlingbaan. Dat komt volgens de onderzoekers doordat het belangrijkste product
van hoger onderwijs human capital is:
een hoogopgeleide bevolking. Het effect daarvan is niet gemakkelijk te meten.

Het rapport, dat TNO schreef in opdracht van
de landelijke vereniging voor studentenhuisvesters Kences, meldt verder dat
Groningen naar verhouding de meeste studenten telt: één op de vier inwoners is
student. Utrecht en Nijmegen komen dicht in de buurt: daar is respectievelijk
23 procent en 21 procent van de stedelingen student. Rotterdam zit als enige
universiteitsstad onder de tien procent studenten binnen de stadsmuren, maar
Amsterdam (11,5 procent), Tilburg (12,6 procent) en Eindhoven (12,7 procent)
zitten er niet ver boven.