Hoe is het om onderzoek te doen op het grootste kraanschip ter wereld? Slechts een handjevol mensen kan daarover meepraten. Onder hen twee TU-promovendi en een postdoc.
Een buitenkans, want de Sleipnir is vaker niet dan wel in Nederlandse wateren. (Foto's: Peter Meijers / David Fidalgo Domingos / Panagiota Atzampou)

Hoe is het om onderzoek te doen op het grootste kraanschip ter wereld? Slechts een handjevol mensen kan daarover meepraten. Onder hen twee TU-promovendi en een postdoc.

Read in English

De Sleipnir is een kraanschip van duizelingwekkende proporties: 220 meter lang, 102 meter breed - meer dan twee keer de lengte van het voetbalveld in de Amsterdam Arena en anderhalf keer de breedte. Het 119 duizend ton wegende schip bevaart alle wereldzeeën voor de zwaarst denkbare offshore installatieklussen - de Sleipnir is niet alleen ‘s werelds grootste kraanschip, maar ook het sterkste: samen hebben de twee kranen een hefvermogen van 20 duizend ton, het gewicht van twee Eiffeltorens.

Postdoc Peter Meijers (rechts op de foto) en promovendi David Fidalgo Domingos (links) en Panagiota Atzampou (midden) scheepten onlangs in op dat schip, voor een meerdaags onderzoek voor het FOX-project. Dat gaat over de ontwikkeling van een alternatieve installatiemethode voor offshore windturbines. Een van de partners in dit project is Heerema Marine Contractors, de eigenaar van het naar schatting 1,5 miljard dollar kostende Sleipnir, en dat verklaart deze uitzonderlijke kans voor de drie onderzoekers om op dit enorme schip (deze video geeft een indruk) tests te kunnen doen. 

Voorbereidingen
Ze kregen het echter niet cadeau. Onderzoek doen op de Sleipnir vergde een vijfdaagse veiligheidstraining, inclusief een helicopter escape training waarbij de onderzoekers in een zwembad leerden zichzelf te bevrijden uit een ondergelopen, gekantelde helikoptersimulator (aanvankelijk zouden de onderzoekers per helikopter aan boord van de Sleipnir gaan). Daarnaast volgden ze een meerdaagse training om veilig op grote hoogte te werken - aan boord klom Domingos tot ongeveer 120 meter boven het water. En ten slotte, vlak voor het inschepen, een corona-quarantaine van olympische proporties: vijf dagen in volledige afzondering in een hotel in de buurt van Schiphol.

En dan moest de échte beproeving nog komen: aan boord komen. Niet per helikopter zoals eerst het plan was, maar door het schip op te klimmen - zo’n veertig meter omhoog vanaf de kade in Rotterdam, via een trap die uit niet meer dan drie ijzeren staven bestaat, waar je dwars doorheen kijkt, de diepte in. “Een unieke maar angstaanjagende ervaring,” beschrijft Atzampou. “Ik voelde me enorm klein in vergelijking met het schip.”

‘Dat schip op klimmen was een unieke maar angstaanjagende ervaring’

Het leven aan boord was ook met niets te vergelijken. Allereerst vanwege de vervreemdende dimensies. Meijers: “Op het dek is alles zó immens groot, je blíjft er maar naar kijken. Alles was indrukwekkend die eerste paar dagen.” Ook het strakke schema droeg bij aan het gevoel enigszins los te staan van de werkelijkheid. Atzampou: “Het is een 24/7 operatie, niets stopt. En je gevoel voor dag en nacht raakt nogal verdraaid door de twaalfuursdiensten: van middernacht tot 12 uur en van 12 tot middernacht. Je verliest het normale dagritme uit het oog.” Domingos: “Eerlijk gezegd raakte ik de tel kwijt van hoeveel dagen we daar er precies hebben doorgebracht. Elf, twaalf dagen?”

Slechts 30 kilometer uit de kust, bij windpark Prinses Amalia, maar toch in een compleet andere wereld.
Slechts 30 kilometer uit de kust, bij windpark Prinses Amalia, maar toch in een compleet andere wereld.

Ook al waren ze helemaal niet zo ver weg – 30 kilometer uit de kust, bij het Prinses Amalia Windpark (“we konden de kust zien”) – voelde het leven aan boord als dat in een afgelegen gehuchtje, leggen de onderzoekers uit. “Dat kwam ook doordat de communicatie met het vasteland lastig was. De internetverbinding was net toereikend om af en toe wat tekstberichten te versturen, maar videogesprekken of telefoongesprekken waren onmogelijk”, zegt Domingos.

Ze deelden hun verblijf aan boord met ongeveer 250 mensen, een mix van Aziatische en Europese offshore professionals. “Voornamelijk mannen, ja - maar ook best wat vrouwen. Binnen de FOX-projectgroep ben ik de enige vrouw, maar dat gold dus niet aan boord. Ik vond het leuk dat er ook andere meiden waren”, zegt Atzampou.

Probleemoplossers
De Sleipnir zit vol tegenstellingen. Van binnen is het schip net een hotel, met een Aziatische en een Europese keuken die prima eten serveren, en een omgeving die schoon, rustig en prettig is. “Je bent op elkaar aangewezen, dus iedereen is aardig en beleefd – mensen groeten altijd als je elkaar tegenkomt. Dat miste ik toen ik weer aan wal ging”, vertelt Meijers. Atzampou: “Ik had precies hetzelfde. Er is een groot contrast tussen de vriendelijke,  open sfeer aan boord en die in het normale leven waar iedereen meer op zichzelf is.”

Op het dek is het echter een ander verhaal: luid, lawaaierig en een beetje vies. “Er is voortdurend van alles aan de hand - zelfs als er niets aan de hand is. De deck workers zijn áltijd met iets bezig. Ze zijn enorm recht door zee. Problemen maken ze nooit; ze lossen ze juist op. En veiligheid is alles. Deze mensen zijn de meest pragmatische waarmee ik ooit heb gewerkt. ‘‘Nee, je doet het niet op deze manier, maar op díe manier’’ – en ze hadden áltijd gelijk”, lacht Domingos. “Niet veel van wat we vooraf bedacht hadden, hebben we ook echt zo aangepakt – omdat zij met een betere manier kwamen.”

‘Aan dek is voortdurend van alles aan de hand - zelfs als er niets aan de hand is’

Was het een jongens- dan wel meisjesdroom die uitkwam om op een schip zoals de Sleipnir onderzoek te mogen doen? Domingos: “Voor mij wel, ja. Al van kinds af aan ben ik dol op dit soort omgevingen.” Meijers: “Ik vond het gaaf om mee te maken, maar ik ben erachter gekomen dat dat het niet míjn leven is.” En Atzampou? “Ik was betoverd, mag je wel zeggen. Soms is het alsof het nooit gebeurd is. Maar we hebben de data en we hebben foto’s. Ik ben écht op de Sleipnir geweest.”

  • FOX project & spijkerpoepen

Volgens David Fidalgo Domingos is de installatie van een offshore windturbine te vergelijken met het traditionele oud-Nederlandse spelletje spijkerpoepen. De precisiemarge van de installatie van de turbines op de masten, die zomaar meer dan 100 meter hoog zijn, is hooguit zo’n 15 centimeter. “Ik heb een paar eenvoudige wiskundige berekeningen gedaan, en de schaal van spijkerpoepen blijkt vergelijkbaar met die van de installatie van offshore windturbines”, lacht hij.  

Offshore windmolens worden nu geïnstalleerd vanaf een ‘hefschip, dat met vier poten op de zeebodem kan worden geparkeerd’ zodat een stabiel platform ontstaat. Maar het neerhalen en opkrikken van die poten is tijdrovend – 18 procent van de totale installatietijd, volgens een rapport uit 2018. “Met schepen waarvan de inzet meer dan een half miljoen euro per dag kost, is dat krankzinnig”, aldus Domingos. Het FOX-project verkent een andere procedure, met een drijvend vaartuig. “Alsof iemand je uitnodigt om op een boot te gaan spijkerpoepen, in de wind en op de golven. Dat is waar. we hier mee bezig waren”, legt Domingos uit.

Aan boord verzamelden de onderzoekers veel data, via speciaal ontwikkelde bewegingssensoren die ze op allerlei punten aan de windturbines, kranen en het schip hadden bevestigd. Meijers: “Tot nu toe is dit de meest uitgebreide meting van windturbine-installaties.” Voorlopige conclusie: deze alternatieve installatieprocedure netjes uitvoeren, is knap moeilijk – het is next level spijkerpoepen. Meijers: “Het is niet onmogelijk, maar wel heel ingewikkeld, met nog veel ruimte voor verbetering. Dat is precies waar onze research om draait: hoe kan de installatieprocedure veiliger en liefst ook sneller aangepakt worden? Onze promotie- en postdoc-onderzoeken onderzoek blijken heel waardevol te zijn.”