Extremofielen en achthonderd kilo buskruit

In ‘Op Onderzoek’ selecteerde NWO de meest fascinerende onderzoeken. Dat leverde een bonte verzameling op. Van onderzoek naar de planeet Mars tot aan de graven van het oude Egypte.

Voor wie nog gelooft in marsmannetjes heeft promovenda Inge Loes ten Kate slecht nieuws. “Als er leven is op Mars, speelt zich dat af onder het oppervlak. Aardse aminozuren en extremofiele bacteriën redden het althans niet onder de barre bovengrondse omstandigheden op de rode planeet. Zelfs Siberische halofielen, micro-organismen die leven onder extreme temperaturen, zouden er niet kunnen leven. ” Ten Kate bouwde zelf, in een laboratorium, de omstandigheden op Mars na.Haar onderzoek is misschien wel het meest avontuurlijke van ‘Op Onderzoek’. In ‘Op Onderzoek, Wetenschap in Nederland’ komen onderwerpen aan bod die zich overal of juist bijna nergens afspelen. Van graven uit het oude Egypte tot aan minuscule moleculen.In het kleurrijke en prachtig geïllustreerde boek presenteert het NWO de meest fascinerende onderzoeken van 2006. Die selectie was geen sinecure. NWO financiert vijfhonderd lopende onderzoeken per jaar. Met acht vermeldingen staat de TU Delft in de middenmoot.De dertien hoofdstukken zijn thematisch ingedeeld van ‘de jeugd van tegenwoordig’ tot en met ‘contact maken’. Het hoofdstuk ‘klimaat en milieu’ springt het meest in het oog, omdat voor die onderwerpen momenteel de meeste aandacht is. Het onderzoek van prof.dr. Joyeeta Gupta (hoogleraar klimaatbeleid en recht aan de VU en docent (inter)nationaal waterrecht aan het Delftse UNESCO-IHE) krijgt daarin terecht een vooraanstaande plek. Ze schreef een fascinerende dissertatie over de rol van ontwikkelingslanden bij klimaatonderhandelingen.Ontwikkelingslanden vervuilen veel minder dan geïndustrialiseerde landen, maar krijgen wel een hogere rekening gepresenteerd van wereldwijde milieuvervuiling. Dat komt doordat bijvoorbeeld het schaarse water dat in Afrika nog voor handen is, vervuild raakt. Maar een belangrijke stem hebben de ontwikkelingslanden niet bij klimaatconferenties. Naar een conferentie, zegt Gupta, stuurt Amerika een delegatie van tweehonderd experts, Nederland komt met een stuk of twintig en een ontwikkelingsland komt meestal met maar één persoon op de proppen. Daardoor hebben ze veel minder invloed. Gupta beschrijft hoe Westerse landen ontwikkelingslanden onder druk zetten. Haar proefschrift is inmiddels een ‘bijbel’ voor de ontwikkelingslanden, zodat ze hun belangen beter kunnen verdedigen.In dit hoofdstuk is ook aandacht voor het wiskundige model van drs. Phil Ham van de sectie watermanagement aan de TU Delft. Zijn modellen bepalen ‘hoe groot het natuurlijk vermogen van het grondwater op een bepaalde plaats is om zichzelf te reinigen. De modellen houden rekening met het zogeheten reactief transport van opgeloste stoffen in water door poreuze grond, en met de eigenschappen van mengprocessen’. Met deze modellen kunnen ingenieurs voor het eerst voorspellen of de hoeveelheid vervuild grondwater in een gebied groter of kleiner zal worden. Saneren is niet meer nodig als een ‘verontreinigde plek door natuurlijke afbraak vanzelf kleiner wordt’.‘Op Onderzoek’ is interessant om te lezen, omdat het zoveel verschillende vakgebieden behandelt. Het boek gaat op de ene pagina over nanotechnologie, op de andere pagina over overgewicht bij kinderen. Dat zorgt voor een grote afwisseling.Eén van de meest fascinerende onderzoeken, dat zich ook op een groot maatschappelijk probleem richt, is dat van de Utrechtse historica Isabelle Duyvesteyn. Zij onderzoekt de historische achtergrond van terrorisme. “Na 9/11 werd ik er een beetje kriegel van dat voortdurend werd beweerd dat we te maken hadden met nieuw terrorisme, zonder precedent. In feite blijkt er heel weinig bekend te zijn over de historische achtergrond van terrorisme”, zegt ze.Ze geeft een voorbeeld van een groep radicale samenzweerders die in 1605 een ruimte bij het Brits parlementsgebouw Westminster vulden met 800 kilo buskruit. Ze wilden de katholieke monarchie herstellen en daarom de parlementsleden en koning opblazen. Hun complot werd ontdekt en de aanslag verijdeld. De samenzweerders werden opgehangen en gevierendeeld. Bij die aanpak, die Bush in wezen ook hanteert, stelt Duyvestein vraagtekens. “Er lijkt een automatisme te zijn om terrorisme met harde hand op te lossen. Maar misschien is dat wel het probleem.” Dat soort uitdagende stellingen lokken discussie uit en maken dit boek toegankelijk en fascinerend.‘Op Onderzoek. Wetenschap in Nederland’, Uitgeverij Boom, 248p., 25,50 euro.

Voor wie nog gelooft in marsmannetjes heeft promovenda Inge Loes ten Kate slecht nieuws. “Als er leven is op Mars, speelt zich dat af onder het oppervlak. Aardse aminozuren en extremofiele bacteriën redden het althans niet onder de barre bovengrondse omstandigheden op de rode planeet. Zelfs Siberische halofielen, micro-organismen die leven onder extreme temperaturen, zouden er niet kunnen leven. ” Ten Kate bouwde zelf, in een laboratorium, de omstandigheden op Mars na.Haar onderzoek is misschien wel het meest avontuurlijke van ‘Op Onderzoek’. In ‘Op Onderzoek, Wetenschap in Nederland’ komen onderwerpen aan bod die zich overal of juist bijna nergens afspelen. Van graven uit het oude Egypte tot aan minuscule moleculen.In het kleurrijke en prachtig geïllustreerde boek presenteert het NWO de meest fascinerende onderzoeken van 2006. Die selectie was geen sinecure. NWO financiert vijfhonderd lopende onderzoeken per jaar. Met acht vermeldingen staat de TU Delft in de middenmoot.De dertien hoofdstukken zijn thematisch ingedeeld van ‘de jeugd van tegenwoordig’ tot en met ‘contact maken’. Het hoofdstuk ‘klimaat en milieu’ springt het meest in het oog, omdat voor die onderwerpen momenteel de meeste aandacht is. Het onderzoek van prof.dr. Joyeeta Gupta (hoogleraar klimaatbeleid en recht aan de VU en docent (inter)nationaal waterrecht aan het Delftse UNESCO-IHE) krijgt daarin terecht een vooraanstaande plek. Ze schreef een fascinerende dissertatie over de rol van ontwikkelingslanden bij klimaatonderhandelingen.Ontwikkelingslanden vervuilen veel minder dan geïndustrialiseerde landen, maar krijgen wel een hogere rekening gepresenteerd van wereldwijde milieuvervuiling. Dat komt doordat bijvoorbeeld het schaarse water dat in Afrika nog voor handen is, vervuild raakt. Maar een belangrijke stem hebben de ontwikkelingslanden niet bij klimaatconferenties. Naar een conferentie, zegt Gupta, stuurt Amerika een delegatie van tweehonderd experts, Nederland komt met een stuk of twintig en een ontwikkelingsland komt meestal met maar één persoon op de proppen. Daardoor hebben ze veel minder invloed. Gupta beschrijft hoe Westerse landen ontwikkelingslanden onder druk zetten. Haar proefschrift is inmiddels een ‘bijbel’ voor de ontwikkelingslanden, zodat ze hun belangen beter kunnen verdedigen.In dit hoofdstuk is ook aandacht voor het wiskundige model van drs. Phil Ham van de sectie watermanagement aan de TU Delft. Zijn modellen bepalen ‘hoe groot het natuurlijk vermogen van het grondwater op een bepaalde plaats is om zichzelf te reinigen. De modellen houden rekening met het zogeheten reactief transport van opgeloste stoffen in water door poreuze grond, en met de eigenschappen van mengprocessen’. Met deze modellen kunnen ingenieurs voor het eerst voorspellen of de hoeveelheid vervuild grondwater in een gebied groter of kleiner zal worden. Saneren is niet meer nodig als een ‘verontreinigde plek door natuurlijke afbraak vanzelf kleiner wordt’.‘Op Onderzoek’ is interessant om te lezen, omdat het zoveel verschillende vakgebieden behandelt. Het boek gaat op de ene pagina over nanotechnologie, op de andere pagina over overgewicht bij kinderen. Dat zorgt voor een grote afwisseling.Eén van de meest fascinerende onderzoeken, dat zich ook op een groot maatschappelijk probleem richt, is dat van de Utrechtse historica Isabelle Duyvesteyn. Zij onderzoekt de historische achtergrond van terrorisme. “Na 9/11 werd ik er een beetje kriegel van dat voortdurend werd beweerd dat we te maken hadden met nieuw terrorisme, zonder precedent. In feite blijkt er heel weinig bekend te zijn over de historische achtergrond van terrorisme”, zegt ze.Ze geeft een voorbeeld van een groep radicale samenzweerders die in 1605 een ruimte bij het Brits parlementsgebouw Westminster vulden met 800 kilo buskruit. Ze wilden de katholieke monarchie herstellen en daarom de parlementsleden en koning opblazen. Hun complot werd ontdekt en de aanslag verijdeld. De samenzweerders werden opgehangen en gevierendeeld. Bij die aanpak, die Bush in wezen ook hanteert, stelt Duyvestein vraagtekens. “Er lijkt een automatisme te zijn om terrorisme met harde hand op te lossen. Maar misschien is dat wel het probleem.” Dat soort uitdagende stellingen lokken discussie uit en maken dit boek toegankelijk en fascinerend.‘Op Onderzoek. Wetenschap in Nederland’, Uitgeverij Boom, 248p., 25,50 euro.