Onderwijs

Ethiek zonder opgeheven vingertje

Prof.dr.ir. Peter Kroes (TBM) vindt techniek en ethiek een boeiende combinatie, maar hij is wars van ethici die ingenieurs een moraal willen opleggen. "Je moet eerst willen begrijpen wat techniek precies is."

U bent bezig aan een sabbatical: waarom nu, en waarom hier, op het Netherlands institute for advanced study (Nias) in Wassenaar?

“Het was hoog tijd, vond ik. Na mijn benoeming als hoogleraar in 1995 heb ik met anderen de sectie filosofie opgebouwd, maar na de eerste twee jaar ben ik flink betrokken geraakt in facultaire zaken. Ik zat jarenlang in het managementteam van TBM. Ik wilde terug naar de inhoud.”

Uw timing lijkt ongelukkig. De techniekfilosofen van Delft, Eindhoven en Twente gaan net samenwerken in een 3TU-instituut.

“Dat instituut is in goede handen bij Ibo van de Poel en Jeroen van den Hoven, die twee jaar geleden is benoemd als hoogleraar ethiek en techniek. Ons onderzoek is onlangs als ‘excellent’ beoordeeld . dus ook in dat opzicht kon ik met een gerust hart een sabbatical opnemen. Overigens bemoei ik me nog af en toe met de sectie.”

Ik stel me het Nias voor als een plek waar allerlei wetenschappers in geanimeerde gesprekken ideeën uitwisselen.

“In grote lijnen klopt dat beeld wel. De lunch is het moment waarop de meeste fellows elkaar ontmoeten, en het aardige is dat er geen vaste groepjes zijn. De lunchdiscussies hebben me aangezet om boeken te gaan lezen waar ik anders niet aan zou zijn toegekomen. ‘Enlightenment Contested’ bijvoorbeeld, van de historicus Jonathan Israel, die dit voorjaar als fellow naar het Nias komt. Of het boek van Ian Buruma over de dood van Theo van Gogh. De buitenlandse gasten wilden weten wat er de laatste jaren is veranderd in het Nederlandse maatschappelijke klimaat, en naar aanleiding van dat boek is stevig gediscussieerd.”

Het boek waar u op het Nias aan werkt draait om de vraag: wat zijn technische artefacten? ‘Alle objecten die door mensen met een praktisch doel zijn gemaakt, variërend van een kaasschaaf tot een laptop’ is het eenvoudige antwoord, maar u gaat verder: u betoogt bijvoorbeeld dat een stoplicht slechts voor een deel kan worden gedefinieerd als een stuk techniek.

“Een stoplicht zou nooit kunnen functioneren als er geen verkeersregels aan ten grondslag lagen: de Wegenverkeerswet. Die wet is afgestemd op wat er technisch mogelijk is, maar andersom moet de techniek worden afgestemd op wat de wet mogelijk maakt. Juist die combinatie is interessant.”

U stelt in uw boek dat technische artefacten vaak een tweeslachtig karakter hebben. Kunt u dat uitleggen?

“Laten we het klokje nemen dat hier op tafel staat. Stel, in 2525 wordt het gevonden door een archeoloog. Hij heeft geen idee wat het is, maar wil dat achterhalen. Nu kun je onderdeeltje voor onderdeeltje beschrijven hoe dit klokje in elkaar zit. Maar kun je uit zo’n beschrijving afleiden dat het een klok is? Ik denk het niet. Wat dit object tot een klok maakt, heeft veel te maken met de manier waarop mensen het gebruikten: een ding om tijd te meten en aan te geven. Deze klok zou geen klok kunnen zijn zonder de context van dat menselijk handelen. Maar toch valt een klok niet geheel samen met de functie die er door mensen aan wordt toegeschreven. Misschien denken ze in 2525 wel dat het een tijdmachine is. En ik gebruik het nu soms als presse-papier. Het blijft echter een klok. Net zoals een munt die je als schroevendraaier gebruikt, een munt blijft. Juist die relatie tussen de fysieke structuur en de functie van het ding maakt technische objecten bijzonder. Bij een sociaal object als geld is de materiële vorm van ondergeschikt belang: die vorm varieerde in de loop van de geschiedenis van zout tot papier en bankpasjes. Bij een klok is de materiële vorm wel belangrijk voor de functie.”

Hoe ziet u tegenwoordig de rol van het ethiekonderwijs aan de TU Delft?

“Ik hoop dat ingenieurs het nadenken over ethiek zien als een integraal onderdeel van hun vorming en beroepsuitoefening. Het zou jammer zijn als studenten denken: ‘Even die cursus ethiek volgen, dan ben ik ervan verlost.’ We proberen het vak vaak te integreren in andere cursussen, om te laten zien hoe ethische dilemma’s zich in de praktijk kunnen voordoen.”

Hoe moet ik me de samenwerking met de andere vijf TU-onderzoekscentra, zoals ict en nanotechnologie, voorstellen? Vertellen zij jullie straks over de nieuwste ontwikkelingen in hun onderzoek, waarna jullie aangeven waar ze morele dilemma’s kunnen verwachten, waar wetgeving geboden is en waar grote emotionele weerstand valt te verwachten?

“Zoals jij het nu schetst, klinkt het nog een beetje als de ethicus die van buitenaf meekijkt en af en toe zijn vingertje opsteekt. De ethiekpolitie. En dat is niet de bedoeling. We willen discussies aanzwengelen, maar niet als dominee vanaf de kansel preken. We zijn geen loket waar ingenieurs met morele problemen kunnen aankloppen voor een pasklaar antwoord. We willen geen moraal opleggen.”

Misschien roept het woord ‘ethiek’ dat beeld wel op.

“Ja. Maar ethiek kan ook iets anders betekenen. Je wilt als ingenieur een moreel dilemma oplossen, maar je weet niet precies hoe, en je wilt wel eens verbaal sparren met iemand die zich veel met dit soort problemen heeft bezig gehouden. Een ethicus die er niet is om een oordeel te vellen, maar wel om de begrippen toe te lichten die mensen gebruiken als ze morele problemen analyseren. Verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld. Ben je als lid van een onderzoeksteam individueel verantwoordelijk voor onderzoeksuitkomsten, of bestaat er ook iets als een groepsverantwoordelijkheid? Daar kun je over sparren. Voor mij is de rol van de ethicus de rol van de filosoof zoals Socrates die ziet: de horzel. Lastige vragen blijven stellen. We hebben interessante ervaringen opgedaan met parallelonderzoek, waarbij we kijken naar mogelijke morele consequenties van een bepaald onderzoek. Je verdiept je als ethicus samen met de onderzoekers in vragen als: wat zijn de consequentie van deze technologie voor de gebruikers, hoe krijgen we zicht op de mogelijke risico’s en hoe moeten we met die risico’s omgaan? Onderzoekers en ethici hebben samen de subsidievraag ingediend voor dergelijk parallelonderzoek, en na afloop waren beide partijen tevreden.”

Ook na zorgvuldige afweging aan beide kanten kunnen er meningsverschillen blijven bestaan over wat wel en niet moreel geoorloofd is.

“Klopt. Maar ik kan me voorstellen dat de posities dan dwars door de twee groepen lopen. Dat de ethici onderling verdeeld zijn en de ingenieurs ook. Volgens mij zijn morele problemen niet te vergelijken met mathematische problemen. Op een moreel dilemma bestaat nooit maar één antwoord, dat je zult vinden als je heel diep nadenkt. Je kunt het beter vergelijken met ontwerpproblemen: er zijn vele oplossingen denkbaar, en welke je kiest, hangt grotendeels af van wat je belangrijk vindt. Je kunt je de vraag stellen: in wat voor samenleving wil ik leven? Dat kan je helpen te bepalen wat je wel en niet moreel acceptabel acht. Mensen hebben verschillende visies op wat het goede leven is, en zullen dus verschillende beslissingen nemen. Het ontbreken van een absolute, onwrikbare moraal betekent overigens niet dat alles geoorloofd is . dat zou ik tenminste niet willen verdedigen.”

De techniekfilosoof die een negatief oordeel velt over een bepaalde technologie, kunt u zich dat voorstellen?

“Dat is onze taak niet. De soort filosofietechniek die wij uitoefenen is analytisch van aard. Vanaf de jaren vijftig heeft de techniekfilosofie lange tijd een instinctieve afkeer van technologie gehad. Techniek was een destructieve kracht, de nadruk lag op de gevaren. Wij willen in eerste instantie begrijpen wat techniek nu precies is. Wat is een technisch artefact, wat is ontwerpen?”

Verandert de moraal ook onder invloed van de technologie?

“De Twentse techniekfilosoof Hans Achterhuis heeft ooit gezegd dat technologie ontwikkelen bijna een vorm van politiek bedrijven is: de manier waarop wij de techniek van de toekomst vorm geven, bepaalt voor een belangrijk deel de samenleving van de toekomst. Ook hier zie je dat de sociale en de technische werkelijkheid niet twee los van elkaar staande domeinen zijn.”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)
WIE IS PETER KROES?

Denken met de pen. Zo typeert prof.dr.ir. Peter Kroes (sectie techniek en filosofie) zijn manier van werken. “Zodra ik een idee heb opgeschreven, kan ik er gemakkelijker kritisch naar kijken, word ik gedwongen de juiste woorden te kiezen. Dat maakt schrijven tot een worsteling, maar ook tot een soort ontdekkingsreis.” Kroes benut een sabbatical year om te werken aan een boek over de aard van technische objecten, een onderwerp waar zijn sectie filosofie al jaren onderzoek naar doet.

Na zijn studie natuurkunde aan de TU Eindhoven koos Kroes (1950) voor de filosofie: hij promoveerde in Nijmegen met een proefschrift over de structuur van tijd. Hij combineerde universitaire docentschappen in Nijmegen en Eindhoven. In 1995 werd hij benoemd tot hoogleraar filosofie en techniek aan de TU Delft. “De afgelopen tien jaar is de sectie uitgegroeid tot meer dan vijftien fte’s. Dat had ik nooit kunnen voorspellen.” Kroes publiceerde onder meer over technologie en wetenschap in het industriële tijdperk en over de ideaalbeelden die bestaan over wetenschap. Kroes is getrouwd en heeft drie kinderen en twee kleinkinderen.

U bent bezig aan een sabbatical: waarom nu, en waarom hier, op het Netherlands institute for advanced study (Nias) in Wassenaar?

“Het was hoog tijd, vond ik. Na mijn benoeming als hoogleraar in 1995 heb ik met anderen de sectie filosofie opgebouwd, maar na de eerste twee jaar ben ik flink betrokken geraakt in facultaire zaken. Ik zat jarenlang in het managementteam van TBM. Ik wilde terug naar de inhoud.”

Uw timing lijkt ongelukkig. De techniekfilosofen van Delft, Eindhoven en Twente gaan net samenwerken in een 3TU-instituut.

“Dat instituut is in goede handen bij Ibo van de Poel en Jeroen van den Hoven, die twee jaar geleden is benoemd als hoogleraar ethiek en techniek. Ons onderzoek is onlangs als ‘excellent’ beoordeeld . dus ook in dat opzicht kon ik met een gerust hart een sabbatical opnemen. Overigens bemoei ik me nog af en toe met de sectie.”

Ik stel me het Nias voor als een plek waar allerlei wetenschappers in geanimeerde gesprekken ideeën uitwisselen.

“In grote lijnen klopt dat beeld wel. De lunch is het moment waarop de meeste fellows elkaar ontmoeten, en het aardige is dat er geen vaste groepjes zijn. De lunchdiscussies hebben me aangezet om boeken te gaan lezen waar ik anders niet aan zou zijn toegekomen. ‘Enlightenment Contested’ bijvoorbeeld, van de historicus Jonathan Israel, die dit voorjaar als fellow naar het Nias komt. Of het boek van Ian Buruma over de dood van Theo van Gogh. De buitenlandse gasten wilden weten wat er de laatste jaren is veranderd in het Nederlandse maatschappelijke klimaat, en naar aanleiding van dat boek is stevig gediscussieerd.”

Het boek waar u op het Nias aan werkt draait om de vraag: wat zijn technische artefacten? ‘Alle objecten die door mensen met een praktisch doel zijn gemaakt, variërend van een kaasschaaf tot een laptop’ is het eenvoudige antwoord, maar u gaat verder: u betoogt bijvoorbeeld dat een stoplicht slechts voor een deel kan worden gedefinieerd als een stuk techniek.

“Een stoplicht zou nooit kunnen functioneren als er geen verkeersregels aan ten grondslag lagen: de Wegenverkeerswet. Die wet is afgestemd op wat er technisch mogelijk is, maar andersom moet de techniek worden afgestemd op wat de wet mogelijk maakt. Juist die combinatie is interessant.”

U stelt in uw boek dat technische artefacten vaak een tweeslachtig karakter hebben. Kunt u dat uitleggen?

“Laten we het klokje nemen dat hier op tafel staat. Stel, in 2525 wordt het gevonden door een archeoloog. Hij heeft geen idee wat het is, maar wil dat achterhalen. Nu kun je onderdeeltje voor onderdeeltje beschrijven hoe dit klokje in elkaar zit. Maar kun je uit zo’n beschrijving afleiden dat het een klok is? Ik denk het niet. Wat dit object tot een klok maakt, heeft veel te maken met de manier waarop mensen het gebruikten: een ding om tijd te meten en aan te geven. Deze klok zou geen klok kunnen zijn zonder de context van dat menselijk handelen. Maar toch valt een klok niet geheel samen met de functie die er door mensen aan wordt toegeschreven. Misschien denken ze in 2525 wel dat het een tijdmachine is. En ik gebruik het nu soms als presse-papier. Het blijft echter een klok. Net zoals een munt die je als schroevendraaier gebruikt, een munt blijft. Juist die relatie tussen de fysieke structuur en de functie van het ding maakt technische objecten bijzonder. Bij een sociaal object als geld is de materiële vorm van ondergeschikt belang: die vorm varieerde in de loop van de geschiedenis van zout tot papier en bankpasjes. Bij een klok is de materiële vorm wel belangrijk voor de functie.”

Hoe ziet u tegenwoordig de rol van het ethiekonderwijs aan de TU Delft?

“Ik hoop dat ingenieurs het nadenken over ethiek zien als een integraal onderdeel van hun vorming en beroepsuitoefening. Het zou jammer zijn als studenten denken: ‘Even die cursus ethiek volgen, dan ben ik ervan verlost.’ We proberen het vak vaak te integreren in andere cursussen, om te laten zien hoe ethische dilemma’s zich in de praktijk kunnen voordoen.”

Hoe moet ik me de samenwerking met de andere vijf TU-onderzoekscentra, zoals ict en nanotechnologie, voorstellen? Vertellen zij jullie straks over de nieuwste ontwikkelingen in hun onderzoek, waarna jullie aangeven waar ze morele dilemma’s kunnen verwachten, waar wetgeving geboden is en waar grote emotionele weerstand valt te verwachten?

“Zoals jij het nu schetst, klinkt het nog een beetje als de ethicus die van buitenaf meekijkt en af en toe zijn vingertje opsteekt. De ethiekpolitie. En dat is niet de bedoeling. We willen discussies aanzwengelen, maar niet als dominee vanaf de kansel preken. We zijn geen loket waar ingenieurs met morele problemen kunnen aankloppen voor een pasklaar antwoord. We willen geen moraal opleggen.”

Misschien roept het woord ‘ethiek’ dat beeld wel op.

“Ja. Maar ethiek kan ook iets anders betekenen. Je wilt als ingenieur een moreel dilemma oplossen, maar je weet niet precies hoe, en je wilt wel eens verbaal sparren met iemand die zich veel met dit soort problemen heeft bezig gehouden. Een ethicus die er niet is om een oordeel te vellen, maar wel om de begrippen toe te lichten die mensen gebruiken als ze morele problemen analyseren. Verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld. Ben je als lid van een onderzoeksteam individueel verantwoordelijk voor onderzoeksuitkomsten, of bestaat er ook iets als een groepsverantwoordelijkheid? Daar kun je over sparren. Voor mij is de rol van de ethicus de rol van de filosoof zoals Socrates die ziet: de horzel. Lastige vragen blijven stellen. We hebben interessante ervaringen opgedaan met parallelonderzoek, waarbij we kijken naar mogelijke morele consequenties van een bepaald onderzoek. Je verdiept je als ethicus samen met de onderzoekers in vragen als: wat zijn de consequentie van deze technologie voor de gebruikers, hoe krijgen we zicht op de mogelijke risico’s en hoe moeten we met die risico’s omgaan? Onderzoekers en ethici hebben samen de subsidievraag ingediend voor dergelijk parallelonderzoek, en na afloop waren beide partijen tevreden.”

Ook na zorgvuldige afweging aan beide kanten kunnen er meningsverschillen blijven bestaan over wat wel en niet moreel geoorloofd is.

“Klopt. Maar ik kan me voorstellen dat de posities dan dwars door de twee groepen lopen. Dat de ethici onderling verdeeld zijn en de ingenieurs ook. Volgens mij zijn morele problemen niet te vergelijken met mathematische problemen. Op een moreel dilemma bestaat nooit maar één antwoord, dat je zult vinden als je heel diep nadenkt. Je kunt het beter vergelijken met ontwerpproblemen: er zijn vele oplossingen denkbaar, en welke je kiest, hangt grotendeels af van wat je belangrijk vindt. Je kunt je de vraag stellen: in wat voor samenleving wil ik leven? Dat kan je helpen te bepalen wat je wel en niet moreel acceptabel acht. Mensen hebben verschillende visies op wat het goede leven is, en zullen dus verschillende beslissingen nemen. Het ontbreken van een absolute, onwrikbare moraal betekent overigens niet dat alles geoorloofd is . dat zou ik tenminste niet willen verdedigen.”

De techniekfilosoof die een negatief oordeel velt over een bepaalde technologie, kunt u zich dat voorstellen?

“Dat is onze taak niet. De soort filosofietechniek die wij uitoefenen is analytisch van aard. Vanaf de jaren vijftig heeft de techniekfilosofie lange tijd een instinctieve afkeer van technologie gehad. Techniek was een destructieve kracht, de nadruk lag op de gevaren. Wij willen in eerste instantie begrijpen wat techniek nu precies is. Wat is een technisch artefact, wat is ontwerpen?”

Verandert de moraal ook onder invloed van de technologie?

“De Twentse techniekfilosoof Hans Achterhuis heeft ooit gezegd dat technologie ontwikkelen bijna een vorm van politiek bedrijven is: de manier waarop wij de techniek van de toekomst vorm geven, bepaalt voor een belangrijk deel de samenleving van de toekomst. Ook hier zie je dat de sociale en de technische werkelijkheid niet twee los van elkaar staande domeinen zijn.”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)
WIE IS PETER KROES?

Denken met de pen. Zo typeert prof.dr.ir. Peter Kroes (sectie techniek en filosofie) zijn manier van werken. “Zodra ik een idee heb opgeschreven, kan ik er gemakkelijker kritisch naar kijken, word ik gedwongen de juiste woorden te kiezen. Dat maakt schrijven tot een worsteling, maar ook tot een soort ontdekkingsreis.” Kroes benut een sabbatical year om te werken aan een boek over de aard van technische objecten, een onderwerp waar zijn sectie filosofie al jaren onderzoek naar doet.

Na zijn studie natuurkunde aan de TU Eindhoven koos Kroes (1950) voor de filosofie: hij promoveerde in Nijmegen met een proefschrift over de structuur van tijd. Hij combineerde universitaire docentschappen in Nijmegen en Eindhoven. In 1995 werd hij benoemd tot hoogleraar filosofie en techniek aan de TU Delft. “De afgelopen tien jaar is de sectie uitgegroeid tot meer dan vijftien fte’s. Dat had ik nooit kunnen voorspellen.” Kroes publiceerde onder meer over technologie en wetenschap in het industriële tijdperk en over de ideaalbeelden die bestaan over wetenschap. Kroes is getrouwd en heeft drie kinderen en twee kleinkinderen.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.