Overslaan en naar de inhoud gaan
Het aantal studenten aan de TU is de afgelopen jaren enorm gegroeid. (Foto: Connie van Uffelen)
Het aantal studenten aan de TU is de afgelopen jaren enorm gegroeid. (Foto: Connie van Uffelen)

Delftse onderzoekers kampen met hoge werkdruk door de enorme toename van het aantal studenten. De TU krijgt nu geld van ‘Van Rijn’ voor extra personeel. Is dat de oplossing?

Read in English

“Ze staan massaal voor je deur. Sommigen kijken erg zielig. Toch moet je dan ‘nee’ zeggen. ‘Nee ik kan niet nog meer studenten begeleiden’. Dat is moeilijk. Ik ken collega’s die wel twintig afstudeerders onder hun hoede hebben. Dat is nauwelijks te doen. Je kunt een groot hart hebben, maar dat hart kan op een gegeven moment stoppen met kloppen.”

Aan het woord is Hans Hellendoorn, hoogleraar cognitive robotics en onderwijsdirecteur van de faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Technische Materiaalwetenschappen (3mE). Hij worstelt met de enorme aantallen studenten die begeleiding vergen. En hij is niet de enige.

De verhouding student versus staf aan de TU heeft het afgelopen decennium rare vormen aangenomen. In het jaarverslag van 2019 staat dat het aantal studenten de voorbije tien jaar met ruim 50 procent is gegroeid. Met deze groei is de student-stafratio verslechterd van circa 15 studenten op 1 docent naar circa 19 op 1.

19 miljoen euro om het onderwijs vlot te trekken
Maar dit gaat veranderen. Het bekostigingssysteem voor het hoger onderwijs en onderzoek ging vorig jaar op de schop om onderzoek en onderwijs meer met elkaar in balans te brengen. De herziening, geschetst door PvdA’er Martin van Rijn, pakt gunstig uit voor de TU. De universiteit krijgt dit jaar ongeveer 19 miljoen euro Van Rijn-geld uitgekeerd om mensen aan te nemen en onderwijsvernieuwingen door te voeren.

Delta maakte een rondgang om te inventariseren wat deze impuls betekent voor verschillende faculteiten. Kan de hoge onderwijsdruk worden verlicht met de Van Rijn-gelden?

Hans Hellendoorn: ‘Hiermee zijn we er nog lang niet.’ (Foto: TU Delft)
Hans Hellendoorn: ‘Hiermee zijn we er nog lang niet.’ (Foto: TU Delft)

Bij 3mE verdubbelde het aantal studenten tot vijfduizend in tien jaar tijd

De huidige verdeling van 19 op 1 is een gemiddelde. Er zijn uitschieters. De faculteit 3mE kent een ratio van 35 op 1. In tien jaar tijd verdubbelde het aantal studenten daar tot vijfduizend. De wetenschappelijke staf bleef al die jaren ongeveer gelijk en bestaat uit zo’n 140 universitair docenten, universitair hoofddocenten en hoogleraren.

Dankzij Van Rijn kan 3mE dit jaar en begin volgend jaar 14 docenten in dienst nemen, veelal jonge pasafgestudeerde ingenieurs. Hellendoorn is er blij mee. Maar een oplossing is het volgens hem niet. “Hiermee zijn we er nog lang niet. Dit is slechts een uitbreiding van tien procent van onze staf die onderwijs geeft.”

Gelukkig kan zijn faculteit ook nog rekenen op zogenaamde sectorplangelden van het ministerie van OCW. Daarmee worden de komende jaren 17 onderzoekers aangenomen: universitair docenten (UD), universitair hoofddocenten (UHD), hoogleraren en tenure trackers. Onder die laatste groep worden jonge onderzoekers verstaan die middels loopbaantrajecten zicht hebben op een vaste aanstelling als UD, UHD of hoogleraar.

Maar om de hoge onderwijslast te verzachten, zal meer moeten gebeuren, meent Hellendoorn. “Een numerus fixus gaat er niet komen. Dat mag niet van de overheid. Bovendien kunnen we dat niet maken, want de samenleving staat te springen om werktuigbouwkundigen. Alleen op klinische technologie hebben we een rem. We zullen vooral moeten snoeien in de wildgroei aan masteropleidingen die we nu hebben. Veel onderzoekers willen hun eigen master geven geënt op hun eigen leerstoel. Ik gun dat iedereen. Maar het is niet altijd mogelijk.”

En zo’n uitbreiding van de staf, hoe pak je dat aan? “Het is niet alsof we even een blik onderzoekers kunnen opentrekken. Het is een krappe markt. Vooral de vakgebieden biomechanica, maritieme techniek en systems and control zijn erg populair bij studenten. En laat het nu juist ook voor die vakgebieden erg lastig zijn om personeel te vinden. Alle technische universiteiten in Nederland en de buurlanden trekken aan die mensen.”

Wat zeggen onderwijsdirecteuren en –adviseurs van andere faculteiten?

Chris Kleijn (TNW): ‘Een welkome impuls. Zeker nu, want met corona steken we dubbel zoveel tijd in onderwijs.’
Chris Kleijn: ‘Het is een welkome impuls. Zeker nu, want met corona steken we dubbel zoveel tijd in onderwijs.’ (Foto: TU Delft)

De rek is er ook uit bij de faculteit Technische Natuurwetenschappen

Bij de faculteit Technische Natuurwetenschappen (TNW) verdrievoudigde het aantal studenten de afgelopen twintig jaar, terwijl de staf nagenoeg gelijk bleef.

Het adagium bij TNW is dat wetenschappers 70 procent van hun tijd aan onderzoek besteden en 30 procent aan onderwijs. “Maar met de Van Rijn-gelden nemen we vier tenure trackers aan bij wie deze verhouding net is omgedraaid”, zegt onderwijsdirecteur en hoogleraar bij chemical engineering, Chris Kleijn. Op basis van hun onderwijsprestaties kunnen zij het schoppen tot UD, UHD of hoogleraar. “Dit is een heel nieuw traject dat onlangs door de TU Delft is opgezet en dat werknemers volgens andere criteria beoordeelt.”

Daarnaast zijn er acht junior docenten aangesteld, dit zijn postdocs die de helft van hun tijd besteden aan onderwijs en die het BKO-traject (basiskwalificatie onderwijs) doorlopen. Normaal geven postdocs geen onderwijs. “Dit alles verlicht zeker de werklast”, zegt Kleijn. “Nu met corona steken we nu dubbel zoveel tijd in onderwijs.”

Ruud Balkenende (IO): ‘Wil je goed onderwijs kunnen leveren – met voldoende kritische reflectie – dan moet er ook veel wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden.’
Ruud Balkenende: ‘Wil je goed onderwijs kunnen leveren – met voldoende kritische reflectie – dan moet er ook veel wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden.’ (Foto: Sam Rentmeester)

Versterk de relatie tussen onderwijs en onderzoek

Bij Industrieel Ontwerpen is de verdeling tussen onderwijs en onderzoek met een ratio van 1 wetenschapper of docent per 12 à 13 studenten nog aardig in balans. “Toch werd de faculteit vorig jaar tijdens een accreditatie op het hart gedrukt de relatie tussen onderwijs en onderzoek te versterken”, zegt hoogleraar circular product design Ruud Balkenende.

“Wil je goed onderwijs kunnen leveren – met voldoende kritische reflectie – dan moet er ook veel wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden. Onze wetenschappers moeten minstens 40 procent van hun tijd kunnen besteden aan onderzoek en de rest aan onderwijs en administratieve zaken. Nu halen we die 40 procent onderzoek vaak niet.”

Met het geld van Van Rijn neemt de faculteit dit jaar tien tenure trackers aan om hier verandering in te brengen. “Bij de sollicitaties hebben we het accent wat richting onderwijs verlegd. Normaal gun je tenure trackers wel één of twee jaar de tijd om in de rol als docent te groeien. Maar nu letten we er op dat de kandidaten al vertrouwd zijn met doceren.”

Hans Welleman (CitG): ‘Het is niet alsof we de staatsloterij hebben gewonnen.’
Hans Welleman: ‘Het is niet alsof we de staatsloterij hebben gewonnen.’ (Foto: Sam Rentmeester)

Eindelijk geld om structurele problemen in het onderwijs aan te pakken

“Het is niet alsof we de staatsloterij hebben gewonnen. Maar het geld van Van Rijn helpt zeker”, zegt directeur onderwijs Hans Welleman van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen (CitG). “We kunnen nu structurele problemen in het onderwijs aanpakken waar we met de lopende budgetten niet aan toe kwamen. De onderwijsdruk wordt bij alle afdelingen ervaren. Met Van Rijn gaan we de disbalans proberen te corrigeren.”

“De faculteit zat de afgelopen tien jaar op een nullijn. Mensen die weg gingen werden meestal vervangen, maar netto kwam er niemand bij. Het is een unicum dat we het personeel kunnen uitbreiden.”

Bij CitG komen er zes tenure trackers bij en extra ondersteuning voor onderwijs. Zij gaan op termijn ongeveer de helft van hun tijd besteden aan onderwijs en wat er mee samenhangt. “We zijn aan het hengelen naar nieuwe mensen", zegt Welleman. "Dat gaat goed. Er is wereldwijd veel animo voor een carrière in Delft.”

De Van Rijn-middelen worden ook voor andere zaken gebruikt. Bijvoorbeeld voor blended learning, een mix van face-to-face onderwijs en online leren.

Welleman wijst erop dat de afgelopen jaren steeds meer tijdvretende bijzaken op het bord van de onderzoekers zijn terechtgekomen. “Neem simpele dingen als het uitprinten van surveillancelijsten voor bij de tentamens. Dat moet de docent nu doen omdat hij of zij als enige toegang heeft tot alle studentgegevens vanwege de nieuwe AVG. Het zijn kleine dingen, maar ze tellen bij elkaar op. Docenten doen veel meer dan alleen voor de klas staan. Maak meer ‘quality time’ vrij voor docenten voor het onderwijs. Dus al die bijzaken moeten minder. Daar worden de Van Rijn-gelden ook voor aangewend.”

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe