Opinie

Een dag in het veld

Half zeven, zondagmorgen 23 september. Ik sta op en haal mijn zwembroek van de waslijn. Een douche is hier niet, dat betekent wassen in zee. Ik loop over het terrein van de verlaten visfabriek.

Vroeger, vijftig jaar geleden, werd hier de vis in kleine bootjes aangevoerd en gezouten in grote betonnen bakken. Maar nu zijn er slechts vervallen loodsen en roest, ongelooflijk veel roest: symbool van een vervallen economie. De drie kleine bakstenen huisjes waar wij in wonen zijn het enige teken van leven in de wijde omtrek. Daarbuiten is de halfwoestijn, met geurige grijsgroene alsemplanten.

De honden lopen met mij mee, en blaffen naar de koeien en de kippen. Dan, buiten het terrein van de fabriek, loopt het pad door het riet, tot het verdwijnt in de lagune, want door de zeespiegelstijging is het pad ondergelopen. Ik waad door de lagune tot ik bij de strandwal ben. Er is niemand te bekennen op het kilometerslange strand. Het waait hard. Ik moet mijn handdoek vastbinden aan het geloogde lijk van wat eens een boom was. Ik scheer en was mij in de golven, in de opkomende zon. De honden bewaken mijn handdoek als was het mijn huis. Ik raak mijn zeep kwijt in de branding. Waarom bestaat er geen holle zeep?

Acht uur, ontbijt met twintig man: vijf Nederlanders, tien Russen en vijf Dagestani. Gretchka, grutjespap maar dan met hele boekweitkorrels, en brood met kwark. De werkverdeling gaat vanzelf. Wij proberen de zeespiegel van de Kaspische Zee in de laatste tienduizend jaar te reconstrueren. Die steeg tot 1995 vijftien centimeter per jaar, honderd keer zo snel als de wereldzeeën in de twintigste eeuw. Met die gegevens kunnen wij het gedrag van kusten bij zeespiegelstijging beter voorspellen. Ook kunnen wij daarmee de structuur van de Kaspische olierijke gesteenten beter begrijpen, want die zijn ook bij een snel veranderende zeespiegel afgezet.

Katja en Zjenja lopen alle secties af in het gebied, Hubert en Steven beschrijven de sedimentologie en bemonsteren schelpen voor datering en isotopenanalyse, Kolja en Alik bestuderen de bodemstructuur, Klaas meet de profielen in met zijn GPS en Jan Harry probeert de grondradar aan de praat te krijgen. Ik loop heen en weer tussen de verschillende sites, en vraag Georgi naar zijn mening over de nieuwe secties. Hij heeft hier 25 jaar geleden zijn proefschriftonderzoek gedaan. Het meeste wat hij heeft geschreven, staat nog steeds overeind. Goed werk. Maar onbekend in het Westen, want zoals bijna iedereen hier publiceert hij alleen in het Russisch.

Delft is ver weg. Telefoon is hier niet, onze mobiele telefoons doen het ook niet, want Dagestan zit op een andere frequentie. Geen e-mail, geen contact met de buitenwereld. Het geeft niet de zucht van verlichting waarop ik had gehoopt, eerder een vage onrust of alles daar wel goed gaat. Maandag dan maar naar het internetcafé in de stad.

Gayirbek, onze gastheer van de Universiteit van Dagestan, eenstevige, gedrongen Avaar met een bulderende lach, heeft ons uitgenodigd om bij de loco-burgemeester van Makhachkala te komen eten. Het wordt een zware avond, met veel toosts en glaasjes wodka die steeds tot de bodem moeten worden geleegd. Wij Hollanders worden geprezen, omdat wij niet zijn weggebleven zoals die laffe Schotse voetballers. Een paar hele kippen en een onduidelijk stuk schaap komen op tafel, salades, zelfgemaakte worst en kwarkpannenkoekjes, en heel veel verse kruiden: basilicum, oregano, koriander, dille, lente-ui. Ik word steeds welsprekender naarmate de avond vordert, maar ik weet dat ik daar morgen voor moet boeten. Gelukkig wacht morgen weer de zee.

Half zeven, zondagmorgen 23 september. Ik sta op en haal mijn zwembroek van de waslijn. Een douche is hier niet, dat betekent wassen in zee. Ik loop over het terrein van de verlaten visfabriek. Vroeger, vijftig jaar geleden, werd hier de vis in kleine bootjes aangevoerd en gezouten in grote betonnen bakken. Maar nu zijn er slechts vervallen loodsen en roest, ongelooflijk veel roest: symbool van een vervallen economie. De drie kleine bakstenen huisjes waar wij in wonen zijn het enige teken van leven in de wijde omtrek. Daarbuiten is de halfwoestijn, met geurige grijsgroene alsemplanten.

De honden lopen met mij mee, en blaffen naar de koeien en de kippen. Dan, buiten het terrein van de fabriek, loopt het pad door het riet, tot het verdwijnt in de lagune, want door de zeespiegelstijging is het pad ondergelopen. Ik waad door de lagune tot ik bij de strandwal ben. Er is niemand te bekennen op het kilometerslange strand. Het waait hard. Ik moet mijn handdoek vastbinden aan het geloogde lijk van wat eens een boom was. Ik scheer en was mij in de golven, in de opkomende zon. De honden bewaken mijn handdoek als was het mijn huis. Ik raak mijn zeep kwijt in de branding. Waarom bestaat er geen holle zeep?

Acht uur, ontbijt met twintig man: vijf Nederlanders, tien Russen en vijf Dagestani. Gretchka, grutjespap maar dan met hele boekweitkorrels, en brood met kwark. De werkverdeling gaat vanzelf. Wij proberen de zeespiegel van de Kaspische Zee in de laatste tienduizend jaar te reconstrueren. Die steeg tot 1995 vijftien centimeter per jaar, honderd keer zo snel als de wereldzeeën in de twintigste eeuw. Met die gegevens kunnen wij het gedrag van kusten bij zeespiegelstijging beter voorspellen. Ook kunnen wij daarmee de structuur van de Kaspische olierijke gesteenten beter begrijpen, want die zijn ook bij een snel veranderende zeespiegel afgezet.

Katja en Zjenja lopen alle secties af in het gebied, Hubert en Steven beschrijven de sedimentologie en bemonsteren schelpen voor datering en isotopenanalyse, Kolja en Alik bestuderen de bodemstructuur, Klaas meet de profielen in met zijn GPS en Jan Harry probeert de grondradar aan de praat te krijgen. Ik loop heen en weer tussen de verschillende sites, en vraag Georgi naar zijn mening over de nieuwe secties. Hij heeft hier 25 jaar geleden zijn proefschriftonderzoek gedaan. Het meeste wat hij heeft geschreven, staat nog steeds overeind. Goed werk. Maar onbekend in het Westen, want zoals bijna iedereen hier publiceert hij alleen in het Russisch.

Delft is ver weg. Telefoon is hier niet, onze mobiele telefoons doen het ook niet, want Dagestan zit op een andere frequentie. Geen e-mail, geen contact met de buitenwereld. Het geeft niet de zucht van verlichting waarop ik had gehoopt, eerder een vage onrust of alles daar wel goed gaat. Maandag dan maar naar het internetcafé in de stad.

Gayirbek, onze gastheer van de Universiteit van Dagestan, eenstevige, gedrongen Avaar met een bulderende lach, heeft ons uitgenodigd om bij de loco-burgemeester van Makhachkala te komen eten. Het wordt een zware avond, met veel toosts en glaasjes wodka die steeds tot de bodem moeten worden geleegd. Wij Hollanders worden geprezen, omdat wij niet zijn weggebleven zoals die laffe Schotse voetballers. Een paar hele kippen en een onduidelijk stuk schaap komen op tafel, salades, zelfgemaakte worst en kwarkpannenkoekjes, en heel veel verse kruiden: basilicum, oregano, koriander, dille, lente-ui. Ik word steeds welsprekender naarmate de avond vordert, maar ik weet dat ik daar morgen voor moet boeten. Gelukkig wacht morgen weer de zee.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.