Campus

Duurzaamheidsdebat: geen transitie zonder vertrouwen

Moet de TU fossiele banden verbreken? Mensen uit activisme, industrie, media en politiek bespraken het duurzame dilemma op het Sustainability Debate van 25 april.

Aan het eind van het duurzaamheidsdebat bedanken de deelnemers de organisatie. (Foto: Jos Wassink)

Kun je nog wel chemie studeren als je streeft naar een duurzamere wereld? Die gewetensvraag van universitair hoofddocent Monique van der Veen vormde het startpunt voor het Sustainability Debate. Het werd georganiseerd door de vier studieverenigingen van de faculteit Technische Natuurwetenschappen (TNW) in samenwerking met studentenfractie Oras. De studenten willen meer duidelijkheid over de aanpak van de energietransitie binnen de technische opleidingen. Het debat dat op dinsdag 25 april in onderwijsgebouw Echo werd gehouden, was met 300 plaatsen uitverkocht. Merendeel was student, hier en daar was een ouder meegekomen.

De opstelling was opvallend. Vertegenwoordigers van buiten de TU (activisme, industrie, journalistiek en politiek) vormden het panel rond moderator Ferdinand Grozema (hoogleraar scheikunde bij TNW). Drie andere hoogleraren zaten letterlijk aan de zijlijn als expertteam: Bernard Dam (scheikunde, TNW), Andy van den Dobbelsteen (duurzaamheidscoördinator TU Delft) en Peter Palensky (elektriciteitsnetwerken bij Elektrotechniek, Wiskunde & Informatica, EWI).

De vertegenwoordigers van buiten waren: Rosanne Hertzberger (NRC-columnist, microbioloog en TU-alumnus), Charlotte Braat (junior-onderzoeker bij Civiele Techniek en Geowetenschappen en ook klimaatactivist), Manon Bloemer (directeur Vereniging Nederlandse Chemische Industrie, VNCI) en Raoul Boucke (Tweede Kamerlid D66 en TU-alumnus).

Stelling: ‘Universiteiten moeten de samenwerking met de fossiele industrie beëindigen’

Die stelling zweeft al een tijdje boven de campus en werd onlangs nog prangender toen de Vrije Universiteit bekendmaakte als eerste Nederlandse universiteit de samenwerking met fossiele bedrijven stop te zetten, tenzij ze aan kunnen tonen dat ze zich aan het Klimaatakkoord houden. In Delft gaat het om zo’n 65 miljoen euro per jaar, vertelde Grozema, waarbij ook bijdragen aan studententeams zijn meegeteld. Kan of moet de TU Delft daar afstand van nemen?

Greenwashing 
Hertzberger denkt van wel. “Ingenieurs zijn nodig voor de energietransitie, maar zijn deze bedrijven nog wel te goeder trouw? Telkens weer krijgen een hogere productie en meer divident aan aandeelhouders voorrang. Projecten ondersteunen bij universiteiten is een goedkope manier van greenwashing. Het laat zien dat Shell actief is op duurzame projecten, terwijl het in verhouding een minuscule activiteit is. De universiteit heeft zich daar al veel te lang voor laten misbruiken”, vindt Hertzberger.

Manon Bloemer is het, als vertegenwoordiger van de chemische industrie, daar niet mee eens: “De industrie heeft universiteiten nodig voor innovatie. Universiteiten hebben de industrie nodig voor opschaling. Net als professor Dam eerder zei: zonder industrie lukt die opschaling niet. Er is haast bij de verduurzaming van de chemische industrie, dus we moeten blijven samenwerken. Daarvoor is vertrouwen een vereiste”, aldus de in groen geklede gezant.

Dat vertrouwen is bij activisten ver te zoeken. “Shell wist veertig jaar geleden al dat CO2-uitstoot tot klimaatverandering zou leiden en tot maatschappelijke ontwrichting”, zegt Charlotte Braat. “Ze deden er niets aan. Erger nog: ze begonnen een twijfelcampagne over de menselijke rol in klimaatverandering. Dat is geen basis voor vertrouwen. De universiteit moet zich niet laten misbruiken door Shell zo lang dat bedrijf niet zelf in transitie is. Daar moeten ze transparant over zijn.” Applaus ondersteunt haar betoog.

Academische onafhankelijkheid 
“Transparantie is een voorwaarde voor vertrouwen”, valt Hertzberger haar bij. “Er moet duidelijkheid komen over wie er betaald wordt, hoeveel, en door welk bedrijf. Op de lijst die de TU Delft hierover publiceert ontbreken de namen van de onderzoekers zogenaamd uit privacyoverweging. Zo wek je geen vertrouwen.” Ze daagt Palensky uit, die eerder zei dat een van de mensen op de lijst bij hem werkt. Hij geeft de naam niet prijs. Hertzberger heeft de grens van de transparantie bereikt.

Chemie-hoogleraar Bernard Dam laat weten geen principiële bewaren te hebben tegen samenwerking met (fossiele) industrie. Hij wijst op het financiële aspect van academische onafhankelijkheid. Door afname van de basisfinanciering (eerste geldstroom) zijn onderzoekers afhankelijker geworden van onderzoekbeurzen en financiering door het bedrijfsleven. En voor de ontvangende partij is het lastig om voorwaarden te stellen.

Stelling: ‘De overheid richt zich bij duurzaamheidscampagnes te veel op het individu en te weinig op regulering van bedrijven’

Voor Raoul Boucke is deze stelling een inkoppertje. Zijn verleden met regulering van de automobielindustrie vanuit Brussel heeft hem geleerd dat het stellen van grenzen (aan emissies in dit geval) en deadlines werkt. Dus ja, bedrijven moet je duidelijke richtlijnen geven, zoals in het Klimaatakkoord gebeurd is.

Charlotte Braat valt hem bij met een pleidooi voor regelgeving op producten. Op de kwaliteit, duurzaamheid en circulariteit daarvan.

Volgens Bloemer is de vraag naar duurzame producten via de consument al op de bestuurstafel van bedrijven gekomen. “De wal keert het schip”, zegt ze omdat bedrijven verduurzamen doordat hun klanten erom vragen.

Dus alles komt goed? Nee, niet vanzelf. Niet alle consumenten zijn namelijk gemotiveerd om te verduurzamen. De vraag is hoe je die meeneemt. Bernard Dam voorziet grote economische en maatschappelijke gevolgen als gevolg van de verduurzaming. “Hoe verdeel je die lasten eerlijk?”, vraagt hij zich af. “Daar hoor je nooit iemand over.” Rosanne Hertzberger trekt de vergelijking met de stikstofcrisis: “Daar zag je voor het eerst wat voor push-back je krijgt als milieumaatregelen onvoldoende maatschappelijke gesteund worden. Dat kan bij verduurzaming ook gebeuren.”

Spoed
Grozema vroeg de panelleden om een afsluitend statement. Manon Bloemer (VNCI) benadrukt dat (chemische) industrie en universiteiten beide gekozen hebben voor verduurzaming en dat ze elkaar nodig hebben om die te bereiken. Rosanne Hertzberger beseft dat daarvoor vertrouwen nodig is, maar roept op tot een kritische houding ten opzichte van universiteiten, bedrijven, activisten en overheid. Geen vertrouwen zonder transparantie, en geen transparantie zonder doorvragen. Charlotte Braat tot slot maant tot spoed: “De klimaatverandering wordt voorlopig alleen maar erger. Laat je stem horen in dit beslissende decennium en laat je zien op onze volgende demonstraties.” Wederom klinkt applaus voor deze activistische student. En daarna voor de organisatie van het levendige debat dat mogelijk nog levendiger was geweest in het Nederlands zodat mensen niet te hoeven zoeken naar hun woorden.

Wetenschapsredacteur Jos Wassink

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

j.w.wassink@tudelft.nl

Comments are closed.