Drie stellingen van een docent1. Handgeschreven tentamens moeten worden afgeschaft. - Het is voor de studenten niet langer haalbaar. Hun handschrift is ontoereikend.

Dus gaan ze in blokletters schrijven. Maar dat wordt een rommeltje. Of ze schrijven met potlood, zodat ze te grote rommeltjes weer kunnen uitgummen. Maar dan wordt het een grote vlekkerige rotzooi. - Studenten zijn zo gewend geraakt aan de Microsoft-spellingscheck, dat ze niet meer weten hoe het woordbeeld eruit ziet. Korte ei en lange ij bleiken onoverkomelijk ingewikkeld. Ook veel gezien: consequent d/t:  ‘De taak word/t aanbesteed/t.’  De docent mag dan kiezen.- De duidelijkheid van het handschrift weegt disproportioneel mee in het cijfer dat de docent uiteindelijk geeft, ook bij welwillende docenten. Netheid in plaats van intelligentie wordt beloond.2. Het verdwijntStudenten gebruiken het lidwoord ‘het’ niet meer. Die meisje, de raam, deze vest. Het verdwijnende ‘het’ is ook aan de orde bij werkstukken die door de spellcheck gehaald hadden kunnen worden.3. Er moet een maximum komen op het aantal mondelingen dat een student in zijn carrière mag aanvragen. Vaak formuleren studenten op papier nog enigszins zorgvuldig, maar in een mondeling kan het alle kanten opgaan. Wat doet de docent? Die knikt of zucht of richt zijn ogen ten hemel. De geëxamineerde maakt gebruik van deze lichaamstaal en neemt dan gewoon de volgende afslag, net zo lang tot de docent bemoedigend knikt. Het is te vergelijken met het medium Char. ‘Ik zie een R. Kan dat? Nee? Geen R? Dan een S’. Ook studenten gokken net zo lang in een mondeling tot de docent toehapt. Daarom houd ik niet van mondelingen. Studenten daarentegen zijn juist zeer gesteld op mondelingen. Vind maar eens een stoïcijnse docent die een student laat kletsen zonder met zijn lichaamstaal te verraden of dit antwoord de gewenste richting opgaat.