De zingende computer

Over de geschiedenis van de computer zijn genoeg boeken, maar zelden kijken die verder dan de Verenigde Staten en Engeland. Daarom is 'Electronic brains' een aanrader.

Op de vraag wat de eerste digitale computer was, bestaan twee antwoorden: de Amerikaanse Eniac of de Britse Colussus. Maar omdat het laatste project supergeheim was, staat vast dat de Eniac de meeste impact heeft gehad op de ontwikkeling van de computer sinds zijn geboorte in 1946.

Natuurlijk ontkomt Mike Hally in ‘Electronic brains’, zijn geschiedenis van de vroegste jaren van het digitale tijdperk, er niet aan om uitgebreid in te gaan op de Eniac, een apparaat dat bestond uit 16 duizend vacuúmbuizen die de berekeningen deden en nog wat extra neonlampjes om het ding bij de perspresentatie meer sexy over te laten komen. Nog jarenlang zou deze toevoeging van de uitvinders, John Mauchly en Presper Eckert, het cliché van de computer in Hollywoodfilms bepalen. Een computer is een grote kast met een heleboel gekleurde lampjes die knipperen als ze aan het werk zijn.

Waar de Britten computers vooral als militaire apparaten beschouwden, zagen de Amerikanen onmiddellijk commerciële mogelijkheden. De Eniac was weliswaar gebouwd voor het leger, maar je kon er natuurlijk meer mee dan ballistische berekeningen uitvoeren. Tien dagen na de presentatie was de eerste order binnen. Uit Moskou. Dat vond het Pentagon toch niet zo'n goed idee.

En dat is nou wat Hally's boek interessant maakt. De Russen lieten het er namelijk niet bij zitten en Hally tekent op welke activiteiten zij ondernamen om ook in het digitale tijdperk te belanden. De Russen begonnen overigens bepaald niet bij nul. De flip-flop, een cruciale elektronische schakeling, is een Russische uitvinding, net als de watergekoelde buis (die daardoor veel meer vermogen weggekoeld krijgt) en het had maar een haar gescheeld of de transistor had ook in dit rijtje gehoord.

Sergei Lebedev kon dus terugvallen op bestaande Russische kennis en de wetenschap dat de Amerikanen het kunstje geklaard hadden. Net als bij de atoombom bleek dat genoeg om het zelf na te doen. In een verwoest klooster bij Kiev, waar zijn team ook nog zelf de elektriciteitscentrale moest bouwen, bouwde hij binnen twee jaar de MESM, die tot 1957 dienst zou doen, soms voor zulke geheimzinnige berekeningen dat de bouwers zelf er niet bij mochten zijn.

Nog twee andere Russische teams hebben een claim op de eerste Sovjetcomputer, maar hun pogingen zijn veel slechter gedocumenteerd. In de jaren vijftig bouwden de Russen bovendien nog enkele unieke apparaten, de Setun-computers. Die maakten gebruik van ternaire logica en ferrietkernen, in plaats van binaire logica en transistors, zoals de rest van de Sovjetcomputers uit die tijd. De exotische apparaten deden tot in de jaren zeventig dienst.

Waar Rusland nog wel eens voorbijkomt in computergeschiedenissen . iedereen realiseert zich dat daar toch een en ander gebeurd moet zijn . wordt Australië altijd volstrekt overgeslagen. Ten onrechte, toont Hally aan. De computerbouwerij kwam in Australië meteen na de oorlog op gang, naar aanleiding van verhalen over de apparaten in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De Australiërs losten alle technische problemen echter onafhankelijk op en in 1949 draaide in Sydney de CSIR, een heuse binaire computer met een als software opgeslagen programma (in plaats van ‘hard’ geprogrammeerd met kabeltjes).

Om te laten zien dat de mogelijkheden van computers vrijwel onbegrensd waren, werd de CSIR in 1951 gekoppeld aan een stel luidsprekers en geprogrammeerd om liedjes te spelen. Het was de eerste digitale synthesizer. Het is met name het Australische hoofdstuk dat ‘Electronic brains’ een aanwinst maakt voor liefhebbers van de digitale historie. Voor het overige heeft Hally een degelijk maar niet buitengewoon opvallend boek geschreven.

Over Nederland overigens geen woord. Enerzijds begrijpelijk, maar niet helemaal bevredigend voor de Delftse lezer, want er was best wat te melden geweest. In het Mathematisch Centrum te Amsterdam bestond eind jaren veertig weliswaar grote belangstelling voor elektronische rekenapparaten, maar men was onvoldoende competent om er daadwerkelijk een te bouwen. Dat zou tot 1952 duren. Vlak na de oorlog was de president van Bell Labs ook nog in Eindhoven langs geweest, om Philips over te halen met zijn superieure elektronicakennis de computermarkt voor IBM weg te kapen. Philips legde het advies beleefd naast zich neer.

Mike Hally, ‘Electronic brains; stories from the dawn of the computer age’. Granta books, 274 pp. 13,50 euro.

Op de vraag wat de eerste digitale computer was, bestaan twee antwoorden: de Amerikaanse Eniac of de Britse Colussus. Maar omdat het laatste project supergeheim was, staat vast dat de Eniac de meeste impact heeft gehad op de ontwikkeling van de computer sinds zijn geboorte in 1946.

Natuurlijk ontkomt Mike Hally in ‘Electronic brains’, zijn geschiedenis van de vroegste jaren van het digitale tijdperk, er niet aan om uitgebreid in te gaan op de Eniac, een apparaat dat bestond uit 16 duizend vacuúmbuizen die de berekeningen deden en nog wat extra neonlampjes om het ding bij de perspresentatie meer sexy over te laten komen. Nog jarenlang zou deze toevoeging van de uitvinders, John Mauchly en Presper Eckert, het cliché van de computer in Hollywoodfilms bepalen. Een computer is een grote kast met een heleboel gekleurde lampjes die knipperen als ze aan het werk zijn.

Waar de Britten computers vooral als militaire apparaten beschouwden, zagen de Amerikanen onmiddellijk commerciële mogelijkheden. De Eniac was weliswaar gebouwd voor het leger, maar je kon er natuurlijk meer mee dan ballistische berekeningen uitvoeren. Tien dagen na de presentatie was de eerste order binnen. Uit Moskou. Dat vond het Pentagon toch niet zo'n goed idee.

En dat is nou wat Hally's boek interessant maakt. De Russen lieten het er namelijk niet bij zitten en Hally tekent op welke activiteiten zij ondernamen om ook in het digitale tijdperk te belanden. De Russen begonnen overigens bepaald niet bij nul. De flip-flop, een cruciale elektronische schakeling, is een Russische uitvinding, net als de watergekoelde buis (die daardoor veel meer vermogen weggekoeld krijgt) en het had maar een haar gescheeld of de transistor had ook in dit rijtje gehoord.

Sergei Lebedev kon dus terugvallen op bestaande Russische kennis en de wetenschap dat de Amerikanen het kunstje geklaard hadden. Net als bij de atoombom bleek dat genoeg om het zelf na te doen. In een verwoest klooster bij Kiev, waar zijn team ook nog zelf de elektriciteitscentrale moest bouwen, bouwde hij binnen twee jaar de MESM, die tot 1957 dienst zou doen, soms voor zulke geheimzinnige berekeningen dat de bouwers zelf er niet bij mochten zijn.

Nog twee andere Russische teams hebben een claim op de eerste Sovjetcomputer, maar hun pogingen zijn veel slechter gedocumenteerd. In de jaren vijftig bouwden de Russen bovendien nog enkele unieke apparaten, de Setun-computers. Die maakten gebruik van ternaire logica en ferrietkernen, in plaats van binaire logica en transistors, zoals de rest van de Sovjetcomputers uit die tijd. De exotische apparaten deden tot in de jaren zeventig dienst.

Waar Rusland nog wel eens voorbijkomt in computergeschiedenissen . iedereen realiseert zich dat daar toch een en ander gebeurd moet zijn . wordt Australië altijd volstrekt overgeslagen. Ten onrechte, toont Hally aan. De computerbouwerij kwam in Australië meteen na de oorlog op gang, naar aanleiding van verhalen over de apparaten in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De Australiërs losten alle technische problemen echter onafhankelijk op en in 1949 draaide in Sydney de CSIR, een heuse binaire computer met een als software opgeslagen programma (in plaats van ‘hard’ geprogrammeerd met kabeltjes).

Om te laten zien dat de mogelijkheden van computers vrijwel onbegrensd waren, werd de CSIR in 1951 gekoppeld aan een stel luidsprekers en geprogrammeerd om liedjes te spelen. Het was de eerste digitale synthesizer. Het is met name het Australische hoofdstuk dat ‘Electronic brains’ een aanwinst maakt voor liefhebbers van de digitale historie. Voor het overige heeft Hally een degelijk maar niet buitengewoon opvallend boek geschreven.

Over Nederland overigens geen woord. Enerzijds begrijpelijk, maar niet helemaal bevredigend voor de Delftse lezer, want er was best wat te melden geweest. In het Mathematisch Centrum te Amsterdam bestond eind jaren veertig weliswaar grote belangstelling voor elektronische rekenapparaten, maar men was onvoldoende competent om er daadwerkelijk een te bouwen. Dat zou tot 1952 duren. Vlak na de oorlog was de president van Bell Labs ook nog in Eindhoven langs geweest, om Philips over te halen met zijn superieure elektronicakennis de computermarkt voor IBM weg te kapen. Philips legde het advies beleefd naast zich neer.

Mike Hally, ‘Electronic brains; stories from the dawn of the computer age’. Granta books, 274 pp. 13,50 euro.