Overslaan en naar de inhoud gaan
De rekwisieten van EWI

Niet veel mensen weten het, maar wie in de laagbouw van het gebouw voor elektrotechniek, wiskunde en informatica een steil trappetje afdaalt, komt in schatkamers met oude radio’s, computers en nog veel meer. Wat is dit, voor wie en waarom?

Eerst een stalen deur die alleen op maandagen en op afspraak open gaat. Dan flikkeren de tl-buizen aan en je ziet radio’s, honderden radio’s. Op planken zijn ze vijf hoog gerangschikt: de oudste helemaal links en rechts de buizenradio’s uit de jaren vijftig en zestig met het kattenoog en de afstemschaal met namen als Frankfurt, Dublin en Beromünster. Om de hoek gaat het verder. Daar staat een grote houten vergadertafel middenin de zaal. Warm licht straalt uit de glazen hanglampen. Tegen de wanden staan houten boekenkasten zij aan zij met stofbeklede boeken achter glazen deuren. Je waant je hier in een klap vijftig jaar terug in de tijd.

Toen prof.dr.ir. Rob Fastenau per 1 januari dit jaar begon aan zijn nieuwe betrekking als decaan van de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica, wilde hij eerst het hele gebouw zien. Zo kwam hij terecht in de kelder en stuitte daar op een ondergronds museum. “Daar ligt het erfgoed van de elektrotechniek, computertechniek en telecommunicatie”, vertelt hij. “Het meest inspirerend vond ik de razendsnelle ontwikkeling van techniek die je daar ziet.” Naast verwondering en verbazing groeide bij hem ook bewondering en respect voor de mensen die in hun vrije tijd de collectie beschrijven en onderhouden.

Een van die mensen is Han Geijp, sinds 1967 in dienst bij de TU, en gepensioneerd sinds 2005. De studieverzameling kwam in oktober 2003 bij hem binnen als ‘opruim tussendoortje’ onder projectnummer EWI 12000. Geijp werkte toen als projectleider in de ontwikkelingswerkplaats (het huidige Demo). Of hij wat orde kon brengen in de voorwerpen die de laatste veertig jaar in de kelder waren beland. Het werd, in zijn eigen woorden, een megaklus die jaren in beslag zou nemen omdat men er alleen aan kon werken als het rustig was in de werkplaats. In een uitgave ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Elektrotechnische Vereeniging schrijft Geijp: ‘Als schatgravers konden wij, medewerkers van de Ontwikkelingswerkplaats, soms met gemengde gevoelens alles naar de oppervlakte halen.’ Enkele getallen uit 2004: toen werd er 24 kubieke meter vuil afgevoerd en twee grote containers met elektronica-afval; 328 vierkante meter vloeroppervlak werd vrijgemaakt; 170 vierkante meter kastruimte gecreëerd in de bibliotheek; 45 meter expositiewand geplaatst; 31 houten kasten verplaatst en weer in elkaar geschroefd en 110 stalen archiefkasten kregen een andere plek.Het werk is nooit af, maar sinds 2005 is de collectie toonbaar.

Elektrotechniekstudenten maken er al tijdens de introductieweek kennis mee. “Voor mij staat vast dat als ‘ons’ erfgoed een goede plek verdient en als tastbare materie moet blijven”, aldus Geijp die elke maandag en vrijdag als ‘vutter’ met de collectie in de weer is.Als wij de collectie bezoeken zijn ook Ben Morien (bij de TU sinds 1961) en dr.ir Richard den Dulk (sinds 1963) aanwezig. Ir. Kees Wissenburgh, specialist in radiobuizen, en Jan Meijers zijn er die dag niet. Maar ook zij zijn regelmatig in de weer met de collectie om ‘een beetje af te kicken van hun werk’.

Wonderlijke confrontatieHet bezoek aan de verzameling is een wonderlijke confrontatie. ‘De een vindt het rommel, de ander raakt in vervoering’, schrijft Geijp in zijn terugblik. Richard den Dulk merkt op dat de leeftijd bepaalt waar iemand stil blijft staan. Voor mij (geboortejaar 1958) is dat bij een Akai VT-700 videorecorder uit 1973 met open spoelen. Ik herinner me de magie dat je zelf bewegende beelden kon opnemen en gelijk afspelen. Het onscherpe zwartwit beeld dat je daarbij voor lief nam. Ook bij de PDP11 machine blijf ik haken. Hij voelt als een oude vriend. Op zo’n roze met paarse machine draaide ik in 1983 mijn afstudeerproject met floppy’s zo groot als ontbijtborden. En kijk, een ponskaartmachine. Daarop schreef ik rond 1976 mijn eerste Algol programma’s. Iedere regel op een aparte kaart. Soms kwam uit de centrale computer niet meer dan een uitdraai met een ‘*’ op de plaats van een syntactische fout. Voor studenten kostte iedere programmeerfout een dag. Ook voel ik een enorme bewondering bij de kabelbomen en de rijen relais van de Testudo computer van prof.dr.ir. Willem van der Poel uit 1952. Met gevoel voor zelfspot en realiteitszin is er een bordje boven gehangen met de tekst ‘Reken er niet op’. Ik merk dat ik vooral bij de computers blijf hangen, zonder overigens de telefooncentrales, het schaakbord met de rijdende robots, de medische apparatuur en de sterkstroomafdeling over het hoofd te zien. Volledig is deze opsomming trouwens bij lange na niet.

“Ieder jaar laat ik de opengewerkte transformator uit de kelder takelen”, vertelt prof.ir. Lou van der Sluis. “Het is een hele klus, maar het trekt de aandacht in het college. Ik kan wat over de geschiedenis vertellen en de studenten kunnen het ding aanraken. Zoiets is een kapstok om je college aan op te hangen. Studenten vergeten dat niet. Dat is het waardevolle van deze collectie.” Van der Sluis steekt zijn sympathie voor de verzameling niet onder stoelen of banken. Zelf kan hij erg genieten van de historische waarde, maar voor zijn colleges is het vooral de attentiewaarde die telt. In de kelder is lang niet alles tentoongesteld. In een hok achter gaas liggen in dozen naar schatting tienduizend radiobuizen te wachten op beschrijving. De kleinste buisjes zijn het formaat van je pink, maar er liggen ook knapen ter grootte van een peuter. Van de Dulk pakt er een bijzondere tussenuit: een twintig centimeter lang cilindrisch buisje dat oplichtende cijfers kan laten zien. Soms zie je ze nog in gebruik bij benzinepompen of kassa’s. Kees Wissenburgh neemt de beschrijving van de elektronenbuizen voor zijn rekening. Hij kan daarbij rekenen op het ontembare enthousiasme en de steun van prof.dr.ir Ronald Dekker, met wie hij de passie voor buizen deelt. Op zijn website dos4ever.com schrijft Dekker bijvoorbeeld uitgebreid over de Philips Miniwatt EF50, ‘the Tube that helped to Win the War’.

Geen beleidAnders dan bij een museum heeft de studieverzameling geen verzamelbeleid. Het meeste is er bij toeval en door enthousiasme aangespoeld, en wat er na de grote schoonmaak overbleef leek de moeite waard. Natuurlijk zijn er wel wensen. Geijp zou graag de voorwerpen terugzien die in 2005 naar het depot van het Techniekmuseum, nu Science Centre, zijn verdwenen. Richard den Dulk zou graag eens een tentoonstelling maken over de ontwikkeling van gehoorapparaten, omdat je daarin volgens hem de hele ontwikkeling van de elektronica weerspiegeld ziet. En dan is er de wens om in samenwerking met mensen van de bibliotheek de boekenverzameling te beschrijven. Maar ja, er is maar zoveel dat vijf gepensioneerden kunnen doen. En budget is er ook nauwelijks. Niet dat daar over geklaagd wordt overigens. De studieverzameling is ook geen museum, vindt den Dulk: “Een museum wil alles compleet hebben. Wij willen de ontwikkeling van techniek begrijpen en illustreren.”Ook de faculteit heeft niet echt een beleid voor de verzameling. Een conservator is er niet meer (tot ongeveer 2000 was dat de taak van ir. Jan Brands met enkele medewerkers). Het is al mooi als je gedoogd wordt, grapte prof.dr. Paddy French wel eens tegenover de gepensioneerde vrijwilligers. En inderdaad zijn de mannen in de kelder blij dat de huidige decaan hun inspanningen op prijs stelt. Geen budget is tot daar aan toe, maar als er opeens huur berekend zou gaan worden - ook al is het maar een kelderruimte - dan is het gauw afgelopen met het ondergrondse museum. Decaan Fastenau is dat overigens niet van plan. Wel zou hij graag zien dat de verzameling een grotere rol in het onderwijs krijgt.

Van der Sluis valt hem daarin bij. “De verzameling is zo breed dat er voor vrijwel ieder vak wel aanknopingspunten te vinden zijn”, zegt hij. “Zie het als een rekwisietenafdeling van een filmstudio. Voor iedereen ligt er wel iets waarmee een college interessanter te maken is. Dan wordt de studieverzameling weer een deel van het circuit, en een levend geheel.”

Bierestafettes, elkaar beschieten met bierpistooltjes; een Owee zonder bier is ondenkbaar. Maar niet bij alle studentenverenigingen vliegen de bierspetters je om de oren. Bij vereniging Rooms Katholieke Jongeren Delft drinken nuldejaars op hun dooie gemak abdijbier met nonnen. 

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe