Opinie

[Column] Lessen

Dat het onderwijs het afgelopen jaar soms beter was, komt niet door hippe digitale middelen, maar door goede docenten, schrijft columnist Bob van Vliet.

(Photo: Sam Rentmeester)

Nu iedereen het licht aan het eind van de tunnel ziet, regent het webinars, meetings, en andere events waar de vraag gesteld wordt wat we van al onze online probeersels willen behouden voor als alles straks weer ‘normaal’ is.

Zelf heb ik er daar wel een paar van. Het zou ook wel verrassend zijn als je na een vol jaar gedwongen experimenteren níets anders zou gaan doen. Toch voel ik me vaak ongemakkelijk bij deze discussies. De bekende buzzwords die er onvermijdelijk bij horen – blended, flipped, en, sinds kort, hybrid – worden te vaak besproken alsof ze onontkoombaar of een doel op zich zijn, in plaats van enkel een middel. En ik snap niet altijd wat er nu precies zo revolutionair aan is.

Sinds Collegerama-opnamen ingeburgerd zijn, is ons onderwijs immers al hybrid, niet? Blended learning is zó’n breed begrip dat bijna alles eronder valt. En flipping is halverwege de vorige eeuw al eens mooi ‘the Gutenberg method’ genoemd.

Van elke nieuwe communicatietechniek is voorspeld dat ze het onderwijs compleet zou revolutionaliseren. En er wordt al praktisch een eeuw lang gedroomd over geautomatiseerd onderwijs ‘by means of sound movies and mechanical tabulating machines’.

‘Wrang dat er zoveel onderwijsadviseurs worden aangenomen’

Wat wél nieuw en relatief recent lijkt, is dat er de afgelopen decennia steeds beter onderbouwde wetenschappelijke kennis beschikbaar is van wat werkt, wat niet, en waarom. Helaas komen het onderzoek naar de effectieve inzet van video in het onderwijs en de wetenschap rondom cognitive load, dual coding, en/of Mayer’s principes van multimedia learning een stuk minder vaak langs in bijeenkomsten over ons onderwijs.

Bij die praatjes van docenten die het afgelopen jaar mooie dingen hebben gedaan denk ik vaak: “Dit heeft weinig te maken met de technologie. Dit zijn gewoon goede docenten die goed hebben nagedacht over wat hun doelen zijn, en welke middelen ze daarvoor inzetten.” Dat zie je ook terug in het feit dat ze allemaal andere dingen hebben gedaan. Elk vak heeft andere doelen, andere studenten, een andere docent. En dus is voor elk vak een andere vorm en een andere mix van middelen het meest effectief.

Ook voor mijn eigen vakken geldt dat waar ze dit jaar echt beter zijn geworden, dat vooral kwam doordat ik in de wissel naar online gedwongen werd om nog eens goed op een rij te zetten wat ik nu eigenlijk wil bereiken, en wat mijn studenten daarvoor nodig hebben.

Dat er dingen beter zijn geworden naar aanleiding van de switch naar digitale middelen, betekent niet dat ze beter zijn geworden dóór dat online gereedschap.

Belangrijker dan hippe onderwijsvormen zijn docenten die de kennis, de tijd en het enthousiasme hebben om bewust en kritisch vorm te geven aan hun onderwijs – ongeacht de omstandigheden. Het is dan ook wrang om het contrast te zien tussen het hoge aantal nieuw aangenomen onderwijsadviseurs en de reacties die ik op mijn vorige column kreeg van goede en betrokken jonge docenten die in Delft niet op een vaste aanstelling hoeven te rekenen.

Bob van Vliet is docent bij de faculteit 3mE en gespecialiseerd in ontwerponderwijs. Reacties zijn welkom via B.vanVliet@tudelft.nl

Bob van Vliet / Columnist

Columnist Bob van Vliet

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

B.vanVliet@tudelft.nl

Comments are closed.