Overslaan en naar de inhoud gaan
Bob van Vliet Delta TU Delft

"Niet schrikken." Als iemand een column inlevert met deze woorden erbij, dan weet je dat er iets aan de hand is. Lees het relaas van 3mE-docent Bob van Vliet.

Deze maand kreeg ik een hartstilstand. Zomaar. Op mijn 34e. Tijdens het hardlopen ben ik onderuit gegaan. Gelukkig waren er mensen in de buurt die konden reanimeren en waren politie en ambulance in no-time ter plekke. Niet dat ik me er iets van kan herinneren, want je geheugen houdt ermee op, op zo'n moment.

Er gebeuren een hoop wonderlijke dingen na zo'n voorval.

De hoeveelheid middelen en mensen die in Nederland ingezet wordt om een leven te redden is bijna niet te overzien. De mensen van de ambulance, politie, verpleging en verzorging, de artsen en de technici: ik heb proberen hun namen op te schrijven, maar het waren er zó veel dat dat al snel geen zin meer had.

Dan zijn er natuurlijk de wonderen der techniek. Ik kreeg CT-scans en röntgenfoto's. Ik werd geïntubeerd, gekatheteriseerd, kreeg talloze infusen, injecties, tabletten, en verbanden. Voor een MRI werd ik per ambulance naar een ander ziekenhuis gereden.

Maar het meest bizarre is dat je er zelf dus helemaal niets van meemaakt. Vanaf het moment dat ik me weer dingen kan herinneren, was ik al ver uit de gevarenzone. In mijn ervaring heb ik twee weken grotendeels voor niets in het ziekenhuis gelegen. Ik voelde me prima. Voor mijn omgeving was dat anders.

‘Een verhaal dat ik alleen van foto’s en van horen zeggen ken’

Die kregen op een willekeurige zondagochtend te horen dat ik gereanimeerd werd, onderweg was naar het ziekenhuis en dat het niet te zeggen was hoe het af zou lopen. Die zagen hoe ik in coma werd gehouden om hersenschade te voorkomen, gewikkeld in een koeldeken om mijn lichaam op 35 graden te houden en gekoppeld aan een duizelingwekkende hoeveelheid slangen, snoeren, en apparaten.

Zij maakten ook mee dat toen ik weer wakker was, mijn korte-termijn geheugen nog steeds kapot was. Ik moest keer op keer verteld worden wat er aan de hand was. Ik wilde weg, mijn bed uit, en moest vastgebonden worden. Allemaal normaal bij een hartstilstand, maar het moet eng zijn om je partner, vriend, zoon, of broer zo te zien.

Op zo’n moment staan collega’s niet bovenaan het lijstje dat uitgebreid op de hoogte gehouden wordt. De mensen waar ik het grootste deel van mijn tijd mee doorbreng, kregen alleen af en toe een korte update. Ook dat moet bizar zijn geweest. (In ieder geval bedankt voor alle kaartjes!)

Ik heb later de agenten en de ambulancebroeder die er als eerste bij waren nog gezien. Die geef je dan een hand: “Bedankt!” Wat zeg je tegen zo iemand? Zij herinneren zich dat ze een leven gered hebben. Voor mij is dat alleen een abstract gegeven. In mijn beleving was het de eerste keer dat ik ze zag.

Het stomme is dat mensen nu aan míj vragen wat er is gebeurd. Ik vertel dan een verhaal dat ik alleen van foto’s en van horen zeggen ken. Wow, dat moet heftig zijn geweest, zeggen ze. Sja, denk ik dan, het is een heftig verhaal. Maar ík was er niet bij.

Het gaat overigens weer goed. Ik heb een automatische defibrillator geïmplanteerd gekregen om herhaling te voorkomen. Ik ben weer thuis. Van de dokter moet ik nog een paar weken rust houden, maar het lijkt erop dat ik er niets aan over houd.

Als ik niet beter wist, zou ik zomaar in wonderen gaan geloven.

Bob van Vliet is docent op de faculteit 3mE, na eerder bij Industrieel Ontwerpen en Bouwkunde les te hebben gegeven.

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe