Overslaan en naar de inhoud gaan

Een speciale bijeenkomst markeerde woensdag het begin van het onderzoeksproject van de campus als klimaatlab. Climate City CampusKlimaatverandering manifesteert zich vooral in steden, stelde prof.dr.i

r. Henk Russchenberg (Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica). Meer dan de helft van de wereldbevolking leeft in steden. Dat maakt hen extra kwetsbaar voor hitte, luchtvervuiling en extreem weer. “Kijk maar wat 5 centimeter sneeuw voor de Randstad betekent”, zegt Russchenberg.

Het programma Climate City Campus wil weer en klimaatverandering op de campus in kaart brengen, de samenhang van weer en bebouwing beter begrijpen en de campus aanpassen aan klimaatverandering. De TU-campus als klein stedelijk klimaatlaboratorium. Russchenberg nodigde de ongeveer tachtig aanwezige studenten uit om in workshops met concrete onderzoeksvoorstellen te komen.

Maar voor het zover was gaf weerman Erwin Kroll een motiverende lezing over weer en klimaat. Zijn handicap de lezing in het Engels te moeten geven, draaide hij al snel om in zijn voordeel door er een John Cleese-achtige hyperactieve draai aan te geven. Er is veel bekend over weer en klimaat, stelde Kroll, maar nog veel meer niet – al weten we niet hoeveel. Dat steden invloed hebben op het lokale klimaat is bekend: in de zomer is het er een paar graden warmer en regen valt meestal aan de andere kant van de stad dan waar de wind vandaan komt. Maar meer metingen zijn nodig.

Kroll verwelkomde het idee om de Delftse campus te gebruiken als meetstation voor het stadsklimaat.

Prof.dr.ir. Niek van de Giesen tenslotte (Civiele Techniek en Geowetenschappen) gaf als directeur van DRI Environment de thema’s van de workshops.

In de eerste ronde: ICT voor weermetingen, duurzame gebouwen en watermetingen op de campus. En vervolgens: geo-informatiesystemen, duurzame buitenruimten en de verspreiding van vervuiling door de stad.

Zie ook de webpagina op de TU Delft site

Climate City Campus

Klimaatverandering manifesteert zich vooral in steden, stelde prof.dr.ir. Henk Russchenberg (Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica). Meer dan de helft van de wereldbevolking leeft in steden. Dat maakt hen extra kwetsbaar voor hitte, luchtvervuiling en extreem weer. “Kijk maar wat vijf centimeter sneeuw voor de Randstad betekent”, zegt Russchenberg.

Het programma Climate City Campus wil weer en klimaatverandering op de campus in kaart brengen, de samenhang van weer en bebouwing beter begrijpen en de campus aanpassen aan klimaatverandering. De TU-campus als klein stedelijk klimaatlaboratorium. Russchenberg nodigde de ongeveer tachtig aanwezige studenten uit om in workshops met concrete onderzoeksvoorstellen te komen.

Maar voor het zover was gaf weerman Erwin Kroll een motiverende lezing over weer en klimaat. Zijn handicap de lezing in het Engels te moeten geven, draaide hij al snel om in zijn voordeel door er een John Cleese-achtige hyperactieve draai aan te geven. Er is veel bekend over weer en klimaat, stelde Kroll, maar nog veel meer niet – al weten we niet hoeveel. Dat steden invloed hebben op het lokale klimaat is bekend: in de zomer is het er een paar graden warmer en regen valt meestal aan de andere kant van de stad dan waar de wind vandaan komt. Maar meer metingen zijn nodig.

Kroll verwelkomde het idee om de Delftse campus te gebruiken als meetstation voor het stadsklimaat.

Prof.dr.ir. Nick van de Giesen tenslotte (Civiele Techniek en Geowetenschappen) gaf als directeur van DRI Environment de thema’s van de workshops.

In de eerste ronde: ICT voor weermetingen, duurzame gebouwen en watermetingen op de campus. En vervolgens: geo-informatiesystemen, duurzame buitenruimten en de verspreiding van vervuiling door de stad.

Zie ook de webpagina op de TU Delft site

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe