Overslaan en naar de inhoud gaan
Studenten zijn geen eenheidsworst en de TU moet open blijven staan voor hun feedback, schrijft alumnus Bram Peerlings in deze reactie op columnist Menno Blaauw.
De conclusie dat studenten geen klanten van de TU zijn, is verkeerd beredeneerd, schrijft Bram Peerlings. (Foto: Ane de la Brena)

Studenten zijn geen eenheidsworst en de TU moet open blijven staan voor hun feedback, schrijft alumnus Bram Peerlings in deze reactie op columnist Menno Blaauw.

In zijn Delta-column van 30 januari probeert Menno Blaauw uit te zoeken wie de klant is van de universiteit: de student of de werkgever? Het moet toch dat tweede zijn, stelt hij, want anders zou een bindend studieadvies geen bestaansrecht hebben: “je zou als producent toch wel gek zijn als je betalende klanten de deur zou wijzen omdat ze je product willen blijven kopen”.

Klinkt redelijk. Maar dan trekt Blaauw de vergelijking door en concludeert hij dat het “niet logisch” is om studenten het onderwijs te laten beoordelen. Immers: “De bakker vraagt de warme broodjes toch ook niet of de oven prettig voelde?”

Error. Enerzijds: deze conclusie slaat nergens op. Anderzijds: nee, inderdaad, zo’n bakker bakt gewoon.

Het deed me denken aan het boek Metaphors we live by van George Lakoff en Mark Johnson. Het gaat over hoe metaforen ons denken en handelen beïnvloeden, vaak zonder dat we het zelf doorhebben. Ze laten bijvoorbeeld zien dat we over discussies praten zoals we dat over oorlogen doen – met winnaars en verliezers, met aanvallende en terugtrekkende bewegingen, en met voltreffers en argumenten die hun doel niet raken. Vooruitlopend op de conclusie die ik verwacht (ik heb ’t nog niet uit): omdat we list en bedrog accepteren in tijden van oorlog, vinden we ze in discussies ook min of meer oké. Dat maakt metaforen ontzettend krachtig, maar ook gevaarlijk – omdat ze de werkelijkheid soms lijken te omschrijven, maar dat niet accuraat doen.

Blaauw trekt conclusies die volledig zijn losgeslagen van de realiteit

Precies van die kracht maakt Blaauw gebruik in zijn redenering. Hij introduceert een analogie die voortbouwt op iets wat we kennen en bouwt dat vervolgens uit. Stapje voor stapje, opdat de lezer netjes meeloopt en went aan het opgediende gedachtenpatroon. En trekt dan conclusies die misschien redelijk lijken, maar intussen volledig zijn losgeslagen van de realiteit – zoals Martijn Lugten ook al opmerkte.

Wat kritischer doordenken laat zien dat de analogie die Blaauw met het bindend studieadvies trekt, de stap is waar het misgaat. De achterliggende argumentatie daarvan is als volgt:

  1. Een universiteit is een bedrijf.
  2. Bedrijven zijn gek om betalende klanten de deur te wijzen.
  3. Universiteiten wijzen studenten (soms) de deur.

Op basis hiervan concludeert Blaauw dat studenten geen klanten zijn. Je zou echter ook kunnen accepteren dat universiteiten geen bedrijf zijn. Of in ieder geval: geen bedrijf waarvan de producten inwisselbaar zijn en geen bedrijf dat (veel) moet investeren om nieuwe klanten te werven.

Dat klopt, in mijn optiek althans, veel beter. Ondanks dat er universele eindtermen zijn die bepalen of iemand zijn of haar diploma haalt, zijn studenten niet inwisselbaar: ze hebben verschillende karakters, verschillende vaardigheden en verstand van verschillende kennisdomeinen. Dat maakt dus ook dat er studenten zijn die meer dan anderen op hun plek zitten op de(ze) universiteit, wat we vertalen met ‘betere’ en ‘minder goede’ studenten. Aangezien de overheid financiert op basis van efficiëntie, behaalt de universiteit op ‘mindere’ studenten een lager rendement. En vanuit die opvatting – uitdrukkelijk niet de mijne – is het ineens perfect logisch om een ‘mindere’ student weg te sturen, om plaats te maken voor een betere. En al helemaal als ze praktisch in de rij staan.

De invaliditeit van de conclusie die Blaauw trekt – dat mensen die je wegstuurt niet je klant kunnen zijn – is ook aan te tonen door zijn analogie verder te detailleren, zodat die beter aansluit bij de situatie van onze campus: als een bakker één minuut heeft om klanten te helpen en moet kiezen tussen een klant die niet weet wat ‘ie wil en misschien niet snel genoeg beslist óf een resolute koper die binnen een oogwenk heeft afgerekend, wijst de bakker de twijfelaar 10 van de 10 keer de deur.

Hiermee wordt duidelijk wat Blaauw vooral produceert: gebakken lucht. En wat betreft mijn alumnus-beeld van onderwijskwaliteit, wat hem wél een relevante graadmeter lijkt: volgens mij is die nog wel in orde. Zolang de TU Delft haar studenten maar uit blijft dagen om kritisch te denken, ze niet laat verworden tot inwisselbare eenheidsworst en open blijft staan voor hun feedback op het onderwijs.

Bram Peerlings studeerde in 2019 aan de TU Delft af in luchtvaart- en ruimtevaarttechniek en wetenschapscommunicatie, waar hij meerdere jaren deel uitmaakte van de Opleidingscommissie. Sinds zijn afstuderen werkt hij bij het NLR als adviseur/onderzoeker duurzame luchtvaart.

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe