Overslaan en naar de inhoud gaan
In 1919 werd de Women’s Engineering Society opgericht, broodnodig indertijd. De vroege jaren hebben nu een biografie.

In 1919 werd de Women’s Engineering Society opgericht, broodnodig indertijd. De vroege jaren hebben nu een biografie.

In juni 1919 kwamen zeven vrouwen bijeen in een chic appartement in Londen om de oprichtingsakte te ondertekenen van de Women’s Engineering Society, de eerste beroepsvereniging voor vrouwelijke ingenieurs. De aanleiding was acuut. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden honderdduizenden vrouwen werk gevonden in de (militaire) industrie. Zij dreigden hun baan kwijt te raken door een aanstaand verbod op vrouwelijke arbeiders in de industrie.

Het is een fraai gezelschap dat auteur Henriette Heald beschrijft in Magnificent Women and their Revolutionary Machines (dat overigens geheel over de vrouwen gaat en niet over hun machines). Lady Shelley-Rolls, bijvoorbeeld, snelheidsduivel, luchtvaartpionier en eigenaar van een motorenfabriek. Of Lady Moir, die de oorlog aan de draaibank had doorgebracht, en arbeidersmeisje Laura Annie Willson, die sinds haar tiende opkwam voor vrouwenrechten en daarvoor twee keer in de gevangenis had gezeten. Het gezelschap had een aristocratische ruggengraat, maar deed verder niet aan klasse.

De hoofdpersonen van het boek zijn de eerste voorzitter, Rachel Parsons, en de eerste directeur, Caroline Haslett. Beiden zouden zich de komende decennia hard maken voor vrouwen in de industrie. Die stribbelde tegen, het was zo goed als onmogelijk voor vrouwen om in een technisch beroep te belanden.

Als reactie daarop richtten Parsons en Haslett in 1921 Atalanta op, een staalbedrijf met alleen maar vrouwelijke medewerkers, dat ten onder ging in de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig. De meeste energie ging echter zitten in het slechten van mannenbolwerken.

Haslett bleek daar het meest succesvol in. Ze was het eerste vrouwelijke lid van het Institute of Electrical Engineers (IEE), naast een heleboel andere ‘eersten’. Bij het publiek was ze vooral bekend als de initiator van het ‘volledig geëlektrificeerde huis’, dat in 1935 de deuren opende in Bristol.

Parsons was minder gelukkig. Haar pogingen de politiek in te gaan strandden en bij het begin van de Tweede Wereldoorlog trok ze zich terug op haar landgoed in Berkshire waar ze ellendig aan haar einde kwam. Haar geesteskind – want dat was de Women’s Engineering Society – bestaat nog steeds. Mannen zijn tegenwoordig ook welkom.

Henrietta Heald geeft in dit boek een gedetailleerd inzicht in een makkelijk vergeten stuk techniekgeschiedenis. Wel springt het nogal heen en weer door de tijd, waardoor de chronologie soms wat verwarrend is. Gelukkig zit er een uitgebreide tijdlijn achterin.

In 1919 werd de Women’s Engineering Society opgericht, broodnodig indertijd. De vroege jaren hebben nu een biografie.

Henrietta Heald, Magnificent Women and their Revolutionary Machines, Unbound, 2019. ISBN 978-1-78352-660-4-52695

Krijg Delta updates

Click here to unsubscribe