Met de dreigende bezuinigingen in het achterhoofd gaat Delta te rade bij een aantal TU-medewerkers en studenten. In deel 7: Marlies Bouman, vierdejaars student industrieel ontwerpen en voorzitter van de Delftse studentenvakbond VSSD.

"Meer studiebegeleiding, een kritischer blik op uitgaven en studenten al eerder tijdens hun opleiding projecten voor bedrijven laten doen. Ik denk dat de TU daar aan kan verdienen.”

‘Voorkom voortijdige studieuitval’

Ook in studentenkringen is het voer voor discussie: de kaasschaafmethode. “Wat ons als VSSD opvalt aan de kaasschaafmethode is dat je politiek correct bezuinigt”, zegt voorzitter Marlies Bouman. “Iedereen moet iets inleveren, zodat niemand kan zeuren dat hij is benadeeld.”

Maar, zo vindt Bouman, bij de ene faculteit heeft tien procent meer effect dan bij de andere faculteit. “Wat dat betreft vind ik het vrij scheef dat van elke faculteit gevraagd wordt naar tien procent te kijken. Wat mij beter lijkt is dat de TU kijkt naar het effect op een faculteit en aan de hand daarvan de potjes verdeelt. De een kan beter vijftien procent bezuinigen, de ander kan niks lijden en moet vijf procent bezuinigen.”

Bouman noemt effecten bij bezuinigingen. “Ik kan me voorstellen dat als je bij Industrieel Ontwerpen de repro eruit haalt, dit direct effect heeft op studenten, maar niet op wat ze leren. Als bij Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek de windtunnel eruit zou gaan, zou dat een veel groter effect hebben: zowel op onderzoek als op onderwijs. De TU moet daarom goed kijken naar prioriteiten.”
Waar de VSSD de prioriteiten legt, laat zich raden. “We vinden dat studenten zo goed mogelijk moeten kunnen studeren en dat ze zo goed mogelijk gefaciliteerd moeten worden. De repro en de windtunnel zijn beide in het belang van studenten.”

Bouman zoekt het dan ook meer in het voorkomen van voortijdige studieuitval. “Vrij veel studenten vallen laat in hun programma uit, omdat na drie jaar blijkt dat het toch niet de goede studie voor ze is of omdat ze niet voldoende studiepunten hebben gehaald. Dat kost niet alleen de student veel geld, maar ook de TU.”

De VSSD-voorzitter wijst daarom op het mentorensysteem waarbij tweede- en derdejaars studenten in de gaten houden hoe het eerstejaars vergaat. “De ene mentor spreekt studenten elke week en de ander spreekt ze twee keer per jaar. Als de TU er beter op let dat mentoren hun werk doen en problemen doorgeven aan studieadviseurs, kun je die late uitval beperken. Dat kan veel geld opleveren.”

Bouman denkt ook aan verplichte gesprekken met studieadviseurs, zoals ze die zelf had in haar eerste jaar. “Die studieadviseur vraagt wat je van je studie verwacht en wat je mogelijke struikelvakken zijn. Daardoor ging ik kritischer kijken naar de opleiding en de vakken die daar bij horen. Het is dus goed om een-op-een-contact met studenten te hebben.”Verder zou de TU in haar voorlichting een reëel beeld van opleidingen moeten schetsen. “Bij een meeloopdag krijg je voorbeelden van wat je kunt ontwerpen. Dan kom je hier en blijk je pas in je derde jaar te gaan ontwerpen voor een bedrijf. Dat is anders dan wat je op zo’n open dag te horen krijgt. Je gaat wel eerder ontwerpen, maar het is wat kleinschaliger.”
Op dat vlak valt er voor de TU trouwens geld te halen, denkt Bouman. Zo draaide het in haar bachelor eindproject om een bestaand probleem van een bedrijf. “Hartstikke leuk. De TU verdient daar geld aan want het bedrijf moet betalen voor die oplossingen. En het bedrijf krijgt de oplossingen. Dat is een win-winsituatie. Ik kan me voorstellen dat je zelfs in je eerste jaar voor bedrijfjes opdrachten kunt doen.”

Natuurlijk kost het de universiteit ook geld aan begeleiding, realiseert Bouman zich. “Maar, een deel van het programma bestond uit een presentatie van het bedrijf. Dat hoeft de docent niet voor te bereiden. Als er meer van dat soort projecten zijn, denk ik dat de TU daar aan zou kunnen verdienen. Ik denk dat er genoeg bedrijven zijn die problemen graag bij studenten neerleggen.”
Verder vangt Bouman wel eens op dat er bij sommige afdelingen aan het eind van het jaar geld overblijft dat dan nog maar even wordt opgemaakt. “Dan denk ik: kijk kritischer naar hoe de potjes zijn verdeeld en naar wat er vorig jaar is uitgegeven.” En tot slot: duurzaamheid. Het pand van de VSSD heeft bijvoorbeeld nog steeds geen dubbel glas. “We stoken ons een ongeluk. Misschien is dat elders ook zo. Ook hoorde ik iemand zeggen dat de computers bij informatica altijd maar aan staan, terwijl de helft van de werkplekken tijdens college-uren helemaal niet wordt gebruikt. Samen met al die andere puntjes bezuinig je zo een paar procent.”

Hoewel het volgens Bouman maar ‘kleine dingetjes’ zijn, moet de TU daar wel naar kijken. “De universiteit heeft misschien niet de mankracht om kleinere dingen te signaleren, maar juist studenten merken die op. Als zij ze ergens zouden kunnen melden, zou dat op de lange termijn best wat kunnen opleveren.”

Bezuinigingen
Om de financiële problemen van de TU Delft het hoofd te bieden, moeten alle faculteiten van het college van bestuur aangeven hoe ze tien procent kunnen bezuinigen op het geld dat zij vanuit de overheid krijgen. De faculteiten moeten met voorstellen komen over herinrichting van wetenschappelijke afdelingen en bundeling van onderwijs en onderzoek binnen de faculteit en met andere faculteiten. Ook moeten ze aangeven welke onderdelen onvoldoende bijdragen aan de doelen van de faculteit. Het vrijkomende geld wil het college vooralsnog gebruiken voor vernieuwing in onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Het college spreekt daarom niet van bezuiniging maar van ‘flexibilisering’.

Als opdracht moesten de teams een concept voor een apparaat of voorziening bedenken die een oplossing kan bieden voor een probleem waarmee diabetespatiënten kunnen kampen. Diabetespatiënten lopen door hun ziekte tegen een aantal praktische problemen op. Zo moet de toediening van insuline goed worden geregeld, moeten diabetici eventuele andere medicatie op tijd innemen en hebben ze te maken met onder meer slecht helende wonden.

Doel van de wedstrijd op EWI was meiden uit het vwo tonen dat op de vakgebieden van de faculteit niet alleen maar wordt gerekend, maar dat de kennis die je er opdoet is toe te passen bij het oplossen van dagelijkse, menselijke problemen.

Aan het eind van de dag ging het team van de Amersfoortse Berg aan de haal met de hoofdprijs: voor ieder van hen een notebook. De Amersfoortse scholieren bedachten de ‘In-chip’, die detecteert wanneer insuline nodig is en zorgt voor de juiste dosering.

Een ander idee dat tijdens de EWI-modellendag werd bedacht was een computerspel om jonge kinderen met diabetes te leren omgaan met diabetes in het dagelijks leven. Doel van het spel is voorkomen dat het kind zich anders voelt dan een kind zonder diabetes.

Een ander groepje bedacht een oplossing voor het op afstand meten en reguleren van de suikerspiegel en het koppelen ervan aan het elektronisch patiëntendossier.

'Voorkom voortijdige studieuitval'

'Voorkom voortijdige studieuitval'

‘Voorkom voortijdige studieuitval’

Ook in studentenkringen is het voer voor discussie: de kaasschaafmethode. “Wat ons als VSSD opvalt aan de kaasschaafmethode is dat je politiek correct bezuinigt”, zegt voorzitter Marlies Bouman. “Iedereen moet iets inleveren, zodat niemand kan zeuren dat hij is benadeeld.”

Maar, zo vindt Bouman, bij de ene faculteit heeft tien procent meer effect dan bij de andere faculteit. “Wat dat betreft vind ik het vrij scheef dat van elke faculteit gevraagd wordt naar tien procent te kijken. Wat mij beter lijkt is dat de TU kijkt naar het effect op een faculteit en aan de hand daarvan de potjes verdeelt. De een kan beter vijftien procent bezuinigen, de ander kan niks lijden en moet vijf procent bezuinigen.”

Bouman noemt effecten bij bezuinigingen. “Ik kan me voorstellen dat als je bij Industrieel Ontwerpen de repro eruit haalt, dit direct effect heeft op studenten, maar niet op wat ze leren. Als bij Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek de windtunnel eruit zou gaan, zou dat een veel groter effect hebben: zowel op onderzoek als op onderwijs. De TU moet daarom goed kijken naar prioriteiten.”Waar de VSSD de prioriteiten legt, laat zich raden. “We vinden dat studenten zo goed mogelijk moeten kunnen studeren en dat ze zo goed mogelijk gefaciliteerd moeten worden. De repro en de windtunnel zijn beide in het belang van studenten.”

Bouman zoekt het dan ook meer in het voorkomen van voortijdige studieuitval. “Vrij veel studenten vallen laat in hun programma uit, omdat na drie jaar blijkt dat het toch niet de goede studie voor ze is of omdat ze niet voldoende studiepunten hebben gehaald. Dat kost niet alleen de student veel geld, maar ook de TU.”

De VSSD-voorzitter wijst daarom op het mentorensysteem waarbij tweede- en derdejaars studenten in de gaten houden hoe het eerstejaars vergaat. “De ene mentor spreekt studenten elke week en de ander spreekt ze twee keer per jaar. Als de TU er beter op let dat mentoren hun werk doen en problemen doorgeven aan studieadviseurs, kun je die late uitval beperken. Dat kan veel geld opleveren.”

Bouman denkt ook aan verplichte gesprekken met studieadviseurs, zoals ze die zelf had in haar eerste jaar. “Die studieadviseur vraagt wat je van je studie verwacht en wat je mogelijke struikelvakken zijn. Daardoor ging ik kritischer kijken naar de opleiding en de vakken die daar bij horen. Het is dus goed om een-op-een-contact met studenten te hebben.”Verder zou de TU in haar voorlichting een reëel beeld van opleidingen moeten schetsen. “Bij een meeloopdag krijg je voorbeelden van wat je kunt ontwerpen. Dan kom je hier en blijk je pas in je derde jaar te gaan ontwerpen voor een bedrijf. Dat is anders dan wat je op zo’n open dag te horen krijgt. Je gaat wel eerder ontwerpen, maar het is wat kleinschaliger.”Op dat vlak valt er voor de TU trouwens geld te halen, denkt Bouman. Zo draaide het in haar bachelor eindproject om een bestaand probleem van een bedrijf. “Hartstikke leuk. De TU verdient daar geld aan want het bedrijf moet betalen voor die oplossingen. En het bedrijf krijgt de oplossingen. Dat is een win-winsituatie. Ik kan me voorstellen dat je zelfs in je eerste jaar voor bedrijfjes opdrachten kunt doen.”

Natuurlijk kost het de universiteit ook geld aan begeleiding, realiseert Bouman zich. “Maar, een deel van het programma bestond uit een presentatie van het bedrijf. Dat hoeft de docent niet voor te bereiden. Als er meer van dat soort projecten zijn, denk ik dat de TU daar aan zou kunnen verdienen. Ik denk dat er genoeg bedrijven zijn die problemen graag bij studenten neerleggen.”Verder vangt Bouman wel eens op dat er bij sommige afdelingen aan het eind van het jaar geld overblijft dat dan nog maar even wordt opgemaakt. “Dan denk ik: kijk kritischer naar hoe de potjes zijn verdeeld en naar wat er vorig jaar is uitgegeven.” En tot slot: duurzaamheid. Het pand van de VSSD heeft bijvoorbeeld nog steeds geen dubbel glas. “We stoken ons een ongeluk. Misschien is dat elders ook zo. Ook hoorde ik iemand zeggen dat de computers bij informatica altijd maar aan staan, terwijl de helft van de werkplekken tijdens college-uren helemaal niet wordt gebruikt. Samen met al die andere puntjes bezuinig je zo een paar procent.”

Hoewel het volgens Bouman maar ‘kleine dingetjes’ zijn, moet de TU daar wel naar kijken. “De universiteit heeft misschien niet de mankracht om kleinere dingen te signaleren, maar juist studenten merken die op. Als zij ze ergens zouden kunnen melden, zou dat op de lange termijn best wat kunnen opleveren.”

BezuinigingenOm de financiële problemen van de TU Delft het hoofd te bieden, moeten alle faculteiten van het college van bestuur aangeven hoe ze tien procent kunnen bezuinigen op het geld dat zij vanuit de overheid krijgen. De faculteiten moeten met voorstellen komen over herinrichting van wetenschappelijke afdelingen en bundeling van onderwijs en onderzoek binnen de faculteit en met andere faculteiten. Ook moeten ze aangeven welke onderdelen onvoldoende bijdragen aan de doelen van de faculteit. Het vrijkomende geld wil het college vooralsnog gebruiken voor vernieuwing in onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Het college spreekt daarom niet van bezuiniging maar van ‘flexibilisering’.