Bezuinigingen (6)

Met de dreigende bezuinigingen in het achterhoofd gaat Delta te rade bij een aantal TU-medewerkers. In deel 6 prof.dr.ir. Teun Klapwijk, onderzoeker bij het Kavli Instituut voor Nanowetenschappen en directeur van onderzoeksschool Casimir, een samenwerkingsverband tussen de TU en de Universiteit leiden.

Bezuinigen op onderzoekers vindt Klapwijk uit den boze. Zij vormen met hun creatieve ideeën namelijk dé universiteit. Maar het mag allemaal wel wat meaner en leaner.

“We moeten niet zo jeremiëren over bezuinigingen. Bezuinigingen vormen een goede prikkel om een nieuwe koers voor de organisatie te vinden. Misschien klink ik wat te optimistisch, maar ik heb een hekel aan geklaag.”
Klapwijk wil niet overkomen als zwartkijker, om het nog mild uit te drukken. Volgens hem is het uitzetten van een koers synoniem aan investeren. “De universiteit moet continu vooruit. Zij is altijd aan het investeren. En daarbij gaat het niet altijd direct om geld. Beslissingen om samenwerkingen aan te gaan zijn ook investeringen.”

De onderzoeker is een groot voorstander van betere coöperatie met andere universiteiten. Maar niet met alle universiteiten. Hij denkt vooral aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Leiden. Medical Delta is een voorbeeld van zo’n samenwerking. Klapwijk: “Dat is fantastisch. Jammer dat het niet eerder is opgepakt.”

Sprak zijn collega Harrie van den Akker (faculteit Technische Natuurwetenschappen) in deel 5 van deze serie nog positief over het samenwerkingverband 3TU (‘Sommig onderzoek kunnen we misschien beter in Twente of Eindhoven doen’), Klapwijk is er een fel tegenstander van.
“3TU levert intellectueel niets op. Het is meer van hetzelfde. Als het geld dat daar in is gestoken, was geïnvesteerd in een samenwerking tussen Leiden, Rotterdam en Delft, dan had ons dat veel meer creatief onderwijs en onderzoek opgeleverd.”

Delft gaat volgens Klapwijk door een complex veranderingsproces heen. De TU is lang erg afhankelijk geweest van de eerste geldstroom, langer dan veel andere universiteiten. Dat heeft er volgens hem mede mee te maken dat Delft, net als de twee andere TU’s, lange tijd geprofiteerd heeft van de zogenaamde strategische overwegingen component (SOC). Dit was een onderdeel van de verdeelsleutel van de eerste geldstroom waarbij het belang van bepaald onderwijs en onderzoek voor de economie van Nederland werd meegewogen.
“De drie TU’s hebben er een handje van zichzelf een heel belangrijke rol in de economie toe te dichten”, zegt Klapwijk. “Ik heb daar moeite mee. Er is geen tweedeling meer tussen universiteiten die alleen praktisch relevant onderzoek doen en universiteiten die fundamenteel onderzoek doen, zoals vroeger. Moderne universiteiten doen beide. De TU realiseert zich dat niet.”
Bij de aankomende bezuinigingen moet het college van bestuur volgens Klapwijk vooral zorgen voor consistent beleid. En bezuinigen op onderzoekers vindt hij uit den boze.
“Onderzoekers kun je niet vergelijken met werknemers, zoals bij andere bedrijven”, aldus Klapwijk. Met zijn beroemde uitspraak ‘De universiteit dat zijn wij’, sloeg de natuurkundige en Nobelprijswinnaar Isidor Isaac Rabi de spijker volgens Klapwijk op zijn kop. “De onderzoekers vormen met hun creatieve ideeën dé universiteit.”

Uiteindelijk gaat het nu volgens Klapwijk allemaal om creativiteit. Goed onderzoek is creatief. Het komt tot stand door samenwerkingsverbanden tussen groepen met heel verschillende expertise. En dit creatieve onderzoek wordt als zodanig herkend door subsidieverleners als NWO, die zijn daar bij uitstek goed toe in staat. Zij bepalen waar het geld naartoe gaat en dat is ook logisch. Zo luidt, vrij vertaald, Klapwijks betoog.
Om mee te kunnen doen in deze nieuwe academische wereld moet de universiteit vooral een ondersteunende rol vervullen voor onderzoekers, zodat zij initiatieven kunnen ontplooien en geld kunnen binnen halen. Wat het college van bestuur verder doet, maakt volgens Klapwijk niet zoveel uit. “Als wij onderzoekers goed presteren, dan wordt de universiteit wereldberoemd. Dat is voor sommigen de ‘tragiek’ van het universiteitsbestuur; het vervult alleen maar een faciliterende functie.”

De universiteit mag volgens Klapwijk wel wat meaner en leaner worden. Hoe de TU kan afslanken, wil Klapwijk liever niet zeggen. Hij vindt dat hij daar niet het goede overzicht voor heeft. Maar na enig aandringen: “Misschien kan er bij marketing en communicatie wat vanaf.”
Terug naar 3TU. Consistent zijn, waar Klapwijk op hamert, betekent toch ook doorgaan met dat samenwerkingsverband? Klapwijk: “Het was een politieke onvermijdelijkheid om samen te gaan werken met de andere TU’s. Werkgeversorganisaties wilden één aanspreekpunt hebben voor technisch onderzoek. Dat ze dachten dat ze daarvoor uitsluitend bij de drie TU’s moesten zijn, was gewoon kortzichtig van ze. Maar de politiek heeft er gehoor aan gegeven, en de TU, die zich financieel gekort zag worden, is door het hoepeltje van de overheid gesprongen om toch nog wat extra geld te ontvangen. De TU moet nu zelfbewuster worden en zien wat er in de regio te oogsten valt. Dan zal ze ook meer gaan investeren in samenwerking met Leiden en Rotterdam.” 

BezuinigingenOm de financiële problemen van de TU Delft het hoofd te bieden, moeten alle faculteiten van het college van bestuur aangeven hoe ze tien procent kunnen bezuinigen op het geld dat zij vanuit de overheid krijgen. De faculteiten moeten met voorstellen komen over herinrichting van wetenschappelijke afdelingen en bundeling van onderwijs en onderzoek binnen de faculteit en met andere faculteiten. Ook moeten ze aangeven welke onderdelen onvoldoende bijdragen aan de doelen van de faculteit. Het vrijkomende geld wil het college vooralsnog gebruiken voor vernieuwing in onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Het college spreekt daarom niet van bezuiniging maar van ‘flexibilisering’.