Het was negen uur ‘s avonds toen ik aanklopte. Gekluisterd aan zijn megagrote computerscherm zat mijn docent professor H. zoals altijd nog te werken.

Hier in Londen is dat overigens niets bijzonders. Wie gaat er nu om vijf uur naar huis? Zijn kantoor is niet meer dan een zolderhok, met nauwelijks daglicht en tapijt dat meer doet denken aan een basisschool in Puttershoek dan aan een topuniversiteit. Natuurlijk de gebruikelijke stapels papier, voornamelijk op de grond. In een hoek ligt een klein kartonnen vormpje. Het stelt iets wiskundigs voor weet ik, onderdeel van zijn proefschrift. Het was een van onze schaarse off-topic gesprekken. Niet eens zo off-topic natuurlijk, maar toch. In de context al een behoorlijke triomf kan ik u verzekeren. Ik vraag of er even tijd is. De bekende knik is veelbelovend. Ik ga zitten, en laat zien wat ik heb gedaan, en wat ik daarvan nog niet begrijp. Het wordt me uitgelegd, geduldig maar vol vuur. Zelfs mijn wedervragen lijken van wereldniveau. Ik word bevangen door een gelukzalig gevoel. Terwijl professor H. een leeg vel uit de printer trekt, denk ik aan het romantische concept van de strenge maar rechtvaardige leermeester, gevoed door een leergierige pupil.
Ik ben gefascineerd door onze relatie. Uren heb ik zittend naast hem doorgebracht. Maar verder weet ik niets. Dat er geen ring aan de vinger van professor H. zit is slechts een vage onbewuste observatie geweest. Een studievriend vertelde me hem eens te hebben zien lopen in de stad. Ik wil het eigenlijk allemaal niet horen. Voor mij is professor H. een meester waar je tegenop kijkt, zo een die je geen menselijke proporties toedicht. Een overzichtelijke afstand tussen meester en leerling. En zo hoort het ook.
Tegen elf uur ’s avonds loop ik naar buiten. De campus is uitgestorven. Ik heb het gevoel (eindelijk) de schoonheid van studie te ervaren. En dan bedoel ik echte studie. De mogelijkheid om serieus verstand van zaken op te doen onder de vleugels van een bevlogen docent. Wat een weelde. Dat gun ik iedereen.