Opinie

Bèta en Dove

Volgens schrijver W.F.Hermans bestaan er twee soorten wetenschappen. Nuttige wetenschappen die gebaseerd zijn op een stevig fundament en die jaar op jaar langzaam maar zeker vooruitgang boeken en wetenschappen die elke tien of vijftien jaar het wiel opnieuw uitvinden en dus welbeschouwd nooit ene steek verder komen.

Wetenschappen uit de eerste categorie zijn eenvoudig te herkennen aan hun naam, want die eindigt in het algemeen op ‘kunde’. Wiskunde, natuurkunde, scheikunde, werktuigbouwkunde enzovoorts.

Ikzelf ben veel milder over de logiën, sofiën, nomiën en wat er al niet is aan vakgebieden, maar het is niet te ontkennen dat er ook voor mij gevoelsmatig een verschil is tussen de klassieke bÈtawetenschappen en wetenschappen als bijvoorbeeld economie. Ik heb een kunde gestudeerd omdat ik geïnteresseerd ben in wetten die altijd kloppen: twee plus twee is altijd vier, een steen valt altijd op dezelfde manier naar beneden en als een staalkabel nu sterk genoeg is om aan te hangen dan is hij dat morgen ook.

Wat een verschil met wetten zoals die van bijvoorbeeld de marktwerking. Iedereen weet dat als de vraag afneemt en het aanbod toeneemt, dat de prijs dan zakt. Maar wie tegenwoordig een huis probeert te kopen weet dat die wet in ieder geval niet altijd opgaat.

Het is toch merkwaardig dat juist die faalgevoelige economische wetten onze bÈta-universiteit besturen. Mijn decaan was vroeger geen hoogleraar werktuigbouwkunde, maar manager deodorant worldwide. Al in zijn eerste verhaal legde hij de universitaire werktuigbouworganisatie op een economisch modelletje: een liggend pijltje naar rechts gaf profit aan en een staand pijltje omhoog potential. Dat is erg handig om de zeepproducten van Unilever in te delen en momenteel probeert hij alle werktuigbouwkundegroepen ook in dit plaatje te zetten. Dat zal nog niet meevallen, want wat is precies de potential van een onderzoeksgroep en wat bedoel je precies met profit? Duidelijk is dat je als onderzoeksgroep rechtsboven in het figuurtje uit wilt komen: high potentialhigh profit.

Ik ben zelf helemaal niet tegen het maken van dit soort plaatjes. Natuurlijk, over vijf jaar moet het weer allemaal anders, maar een beetje met de economische mode meedobberen kan zelfs op de universiteit geen kwaad. Wat mij wel beangstigt is dat min of meer werd verondersteld dat de universitaire werktuigbouwers vol ambitie naar dit doel toe zullen werken. Voor mij is dat teveel gevraagd.

Als je mij de mogelijkheid gunt te doen wat mij het meest interesseert: op zoek naar de fundamenten, naar werkelijk begrip van fysische processen, en naar de toepassing van die processen, dan ben ik graag bereid mee te werken aan de economische trucjes en kronkelweggetjes die vandaag het beste kunnen zijn, maar morgen misschien wel weer helemaal verkeerd. Verwacht echter niet van je onderzoeksgroepen dat ze daadwerkelijk zullen proberen om de ‘Dove’ van de academische wereld te worden. Economisch succes is mooi meegenomen, maar als mijn ambitie het voorkomen van jeugdpuistjes was geweest, dan had ik al wel eerder voor Unilever gewerkt.

Jan-Dirk Kamminga is fellow aan het Netherlands Institute for Metals Research. Hij onderzoekt oppervlakteharding van staal bij de afdeling technische materiaalwetenschappen.

Volgens schrijver W.F.Hermans bestaan er twee soorten wetenschappen. Nuttige wetenschappen die gebaseerd zijn op een stevig fundament en die jaar op jaar langzaam maar zeker vooruitgang boeken en wetenschappen die elke tien of vijftien jaar het wiel opnieuw uitvinden en dus welbeschouwd nooit ene steek verder komen. Wetenschappen uit de eerste categorie zijn eenvoudig te herkennen aan hun naam, want die eindigt in het algemeen op ‘kunde’. Wiskunde, natuurkunde, scheikunde, werktuigbouwkunde enzovoorts.

Ikzelf ben veel milder over de logiën, sofiën, nomiën en wat er al niet is aan vakgebieden, maar het is niet te ontkennen dat er ook voor mij gevoelsmatig een verschil is tussen de klassieke bÈtawetenschappen en wetenschappen als bijvoorbeeld economie. Ik heb een kunde gestudeerd omdat ik geïnteresseerd ben in wetten die altijd kloppen: twee plus twee is altijd vier, een steen valt altijd op dezelfde manier naar beneden en als een staalkabel nu sterk genoeg is om aan te hangen dan is hij dat morgen ook.

Wat een verschil met wetten zoals die van bijvoorbeeld de marktwerking. Iedereen weet dat als de vraag afneemt en het aanbod toeneemt, dat de prijs dan zakt. Maar wie tegenwoordig een huis probeert te kopen weet dat die wet in ieder geval niet altijd opgaat.

Het is toch merkwaardig dat juist die faalgevoelige economische wetten onze bÈta-universiteit besturen. Mijn decaan was vroeger geen hoogleraar werktuigbouwkunde, maar manager deodorant worldwide. Al in zijn eerste verhaal legde hij de universitaire werktuigbouworganisatie op een economisch modelletje: een liggend pijltje naar rechts gaf profit aan en een staand pijltje omhoog potential. Dat is erg handig om de zeepproducten van Unilever in te delen en momenteel probeert hij alle werktuigbouwkundegroepen ook in dit plaatje te zetten. Dat zal nog niet meevallen, want wat is precies de potential van een onderzoeksgroep en wat bedoel je precies met profit? Duidelijk is dat je als onderzoeksgroep rechtsboven in het figuurtje uit wilt komen: high potentialhigh profit.

Ik ben zelf helemaal niet tegen het maken van dit soort plaatjes. Natuurlijk, over vijf jaar moet het weer allemaal anders, maar een beetje met de economische mode meedobberen kan zelfs op de universiteit geen kwaad. Wat mij wel beangstigt is dat min of meer werd verondersteld dat de universitaire werktuigbouwers vol ambitie naar dit doel toe zullen werken. Voor mij is dat teveel gevraagd.

Als je mij de mogelijkheid gunt te doen wat mij het meest interesseert: op zoek naar de fundamenten, naar werkelijk begrip van fysische processen, en naar de toepassing van die processen, dan ben ik graag bereid mee te werken aan de economische trucjes en kronkelweggetjes die vandaag het beste kunnen zijn, maar morgen misschien wel weer helemaal verkeerd. Verwacht echter niet van je onderzoeksgroepen dat ze daadwerkelijk zullen proberen om de ‘Dove’ van de academische wereld te worden. Economisch succes is mooi meegenomen, maar als mijn ambitie het voorkomen van jeugdpuistjes was geweest, dan had ik al wel eerder voor Unilever gewerkt.

Jan-Dirk Kamminga is fellow aan het Netherlands Institute for Metals Research. Hij onderzoekt oppervlakteharding van staal bij de afdeling technische materiaalwetenschappen.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.