Atlas van Waterland

Nederland als ‘waterland’ aanduiden is een platitude. Maar duik in de details van de gelijknamige Bosatlas en je zwemt in de onverwachte wetenswaardigheden.

Een atlas kent (minstens) twee gebruiken. Het eerste is de serieuze benutting als naslagwerk, het tweede is het meer recreatieve dwalen. Ik heb de indruk dat ‘De Bosatlas van Nederland Waterland’ zich voor beide leent. Zelf heb ik er zelf voornamelijk in rondgedwaald. Dat leverde verrassende zaken op. Zo laten kaartjes van de geschiedenis (hoofdstuk 1) zien dat pas honderd jaar na Christus een duinenrij ontstaat aan de kust, waarachter zich later een veengebied vormt zodat omstreeks het jaar 800 voor het eerst de contouren van het huidige Nederland te herkennen zijn. Zo recent dus. Verder valt op dat sinds ongeveer het jaar 1500, dus sinds we de drooglegging in eigen hand hebben genomen, de zeespiegel een halve meter is gestegen en het land door inklinking tweeënhalve meter is gedaald. Dweilen met de kraan open heet dat.

Rotterdam en omstreken vormen de focus bij klimaatverandering en water in de stad. De regio rond Rotterdam, zeg vanaf Dordrecht tot aan de kust, heeft zoals dat heet een ‘regio-overstijgend’ probleem met de klimaatverandering (hoofdstuk 4). Werkelijk alle narigheid komt er samen: zout dringt in de polders waardoor die verzilten, de bodem daalt, de drinkwaterkwaliteit loopt gevaar door verder oprukkende verzilting van de waterwegen. Aan de andere kant is er een toename van de afwatering vanuit de rivieren. Dat komt allemaal samen in een regio met de Alexanderpolder op 6,2 meter onder NAP, maar eigenlijk ligt het hele gebied ten noorden van Rotterdam tussen Capelle, Zoetermeer en Delft onder zeeniveau. De consequenties van een overstroming worden keurig in kaart gebracht, met tot een half miljoen getroffenen. Dat soort kaartjes zet aan tot denken.

Laat ik tot slot het hoofdstuk Economie (hoofdstuk 3) niet vergeten. Wie dacht dat de meeste import uit China kwam, ziet hier dat de grootste import (drie maal meer tonnage) uit Rusland afkomstig is, en dat het Verenigd Koninkrijk ons grootste exportland is. Verder is Rotterdam met afstand de grootste haven van Europa, gevolgd door Hamburg, Antwerpen en Marseille. Urk, nu ver van zee, is nog immer de grootste visafslag, vooral op gebied van schol. En dat terwijl Scheveningen de grootste vloot heeft. Maar kennelijk lossen de vriestrawlers niet thuis.

Economisch van betekenis is ook de grote geschiktheid van de Nederlandse bodem voor ondiepe geothermie (warmte- en koude-opslag). Voor diepe geothermie (oppompen van heet water van kilometers diepte) hebben Breda en Harlingen betere papieren dan Delft.Met de blik op het water hebben de atlasmakers een heerlijk dwaalboek gemaakt met prachtige fotografie, compacte teksten, heldere kaarten en verhelderende infographics. Wat mij betreft een ideaal decembercadeau. 

‘De Bosatlas van Nederland Waterland’, Noordhoff Uitgevers Groningen, 2010, 104 pagina’s, 24,95 euro.

Er zijn negentig onderzoekscholen in Nederland, waarin vakgroepen van verschillende universiteiten samen onderzoek doen en promovendi opleiden. De eerste begonnen in 1993 en al snel volgden er meer. Het idee is eenvoudig: voor vier promovendi van één universiteit kun je geen hele studiedag met deskundigen organiseren, maar voor veertig promovendi van tien universiteiten kan dat wel. Bovendien werkt het voor promovendi verfrissend om met collega’s uit andere hoeken van de academische wereld van gedachten te wisselen.

Maar er is altijd weerstand geweest tegen de onderzoekscholen. Bestuurders hebben er minder grip op en daarom houden sommigen hun promovendi liever binnenshuis in lokale graduate schools, waarin ze ook het masteronderwijs onderbrengen. De beste masterstudenten kunnen dan eenvoudig in het promotietraject doorstromen. Bovendien kunnen universiteiten zich dan sterker van elkaar onderscheiden.

Langzaamaan dreigt het doek te vallen voor de onderzoekscholen. Enkele universiteiten willen hun onderzoekscholen niet meer laten erkennen door de club die daar speciaal voor is opgericht: de ECOS, oftewel de Erkenningscommissie Onderzoekscholen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). 

Tel daarbij op dat minister Plasterk zijn eigen experimenten lanceert met graduate schools op Amerikaanse leest geschoeid – met meer vrijheid voor promovendi – en de vraag rijst: waar moet het naartoe met de onderzoekscholen? Een commissie onder leiding van de Utrechtse emeritus hoogleraar Peter van der Vliet mocht het uitzoeken in opdracht van de universiteiten, KNAW en onderzoeksfinancier NWO. Het rapport is nog geheim, maar wat de uitkomst ook is: de universiteiten en de KNAW zullen het moeilijk eens kunnen worden. 

De KNAW, genootschap van topwetenschappers en belangenbehartiger van de gehele Nederlandse wetenschap, heeft hart voor de onderzoekscholen. Nederland is veel te klein om onderling te wedijveren, vindt de KNAW. Wetenschappers kunnen beter hun krachten bundelen.

Daar staan bestuurders van universiteiten tegenover, die niet helemaal hetzelfde belang hebben. Zij willen met name hun eigen instelling opstuwen en daarbij helpt een onderzoekschool maar ten dele. Een onderzoekschool kent geen eigenaar; hooguit een penvoerder. 

Wat de conclusie van de commissie ook zal blijken te zijn, liefst houden de wetenschappers het front gesloten en staan ze schouder aan schouders tegenover minister Plasterk. Als het rapport straks naar Plasterk gaat, willen zij met één stem spreken. 

Maar dat zal betekenen dat voor- en tegenstanders zich in bochten moeten wringen en hun eigen positie geweld moeten aandoen. Voor het debat zou het wellicht beter zijn om de verdeeldheid te tonen. Dan kan de politiek het daarna uitvechten.