Vele generaties studeerden aan de TU Delft. Delta sprak grootouders en kleinkinderen over toen en nu. In deze aflevering: Cees Distelbrink en kleindochter Anne Jacobs.
Oma Manon Distelbrink, kleindochter Anne Jacobs en opa Cees Distelbrink. (Foto: Sam Rentmeester)

Vele generaties studeerden aan de TU Delft. Delta sprak grootouders en kleinkinderen over toen en nu. In deze aflevering: Cees Distelbrink en kleindochter Anne Jacobs.

Read this article in English

 “Als ik aan Delft terugdenk, denk ik vooral aan het studentenleven”, vertelt Cees Distelbrink (elektrotechniek 1958-1965) met twinkelende ogen. De meeste en mooiste herinneringen bewaart hij aan zijn tijd bij Virgiel, toen nog een echte ‘jongensvereniging’. “Meisjes waren er wel eens hoor, maar alleen bij de officiële feesten.” Een van die meisjes, Manon, zou zijn echtgenote worden. Ze leerden elkaar kennen via één van Cees’ latere kamergenoten, die met Virgiels HC Dopie hockeyde op de velden van Groen Geel in Den Haag, waar ook Manon hockeyde. “En zo is dat gekomen”. Hoewel zij zelf niet studeerde aan de TU Delft, maakte zij het studentenleven via haar man van dichtbij mee.

Kippen op het aanrecht en ogen in de erwtensoep
Anders dan nu speelde de hospita in het studentenleven van vroeger een belangrijke rol. Cees' eerste kamer was op de Spoorsingel, aan de voorzijde, waar ieder kwartier een trein langs denderde. Daarna kwam hij bij een ‘oud omaatje’ terecht waar hij een jaar lang een kamer deelde met zijn jongere broer. “Dat was een beetje een vies huis. Onze hospita had kippen die overal mochten lopen. Wilde je een eitje bakken, dan moest je bij wijze van spreken eerst de kippen van het aanrecht halen.”

Kleindochter Anne Jacobs is masterstudent strategic product design en woont al ruim vier jaar in een studentenflat. Ze deelt een woning met zeven anderen, een hospita is er niet. “Het is er lang leve de lol. Alles kan en bijna alles mag. Zo geven we bijvoorbeeld ieder jaar een huisfeestje.” Opa knippert met zijn ogen. Een huisfeest? Dat lieten ze in zijn tijd wel uit hun hoofd.

Anne: “En we eten iedere avond samen.”
Opa: “Wat leuk, wordt er dan echt gekookt?”
Oma: “Ja, dat zag je wel aan het fornuis…”
Anne: “Maar er lopen geen kippen over het aanrecht!”
Opa: “Wij hadden een heel klein keukentje.”
Oma: “Jullie kookten ook nooit. Of we haalden chinees, of erwtensoep met ogen.”

Erwtensoep met ogen?

Opa: “Op de Kolk zat supermarkt De Landbouw. Daar kon je een bevroren pak erwtensoep kopen. Op een gegeven moment ontdooiden wij zo’n pak en dreef er een oog in.” Oma (lacht): “Dat ben ik dus nooit vergeten!”

Kale feuten
Cees en Anne zijn allebei lid van studentenvereniging Virgiel én waren actief bij een roeivereniging: Cees bij D.S.R. Proteus-Eretes, Anne bij D.S.R.V. Laga. “Echt fanatiek ben ik nooit geweest, want wedstrijdroeien is gewoon topsport, daar had ik geen tijd voor”, aldus Anne. Haar opa was aanvankelijk wat fanatieker. “In mijn tijd werd verondersteld dat roeiers kerels waren met flinke spierballen. Mannen die goed moesten eten. Een half uur voordat de eetzaal openging, mochten wedstrijdroeiers al aanschuiven. Om flink te bunkeren.”
De keerzijde was dat wedstrijdroeiers om tien uur ’s avonds thuis dienden te zijn. “Kwam iemand je na dat tijdstip tegen, dan kon je aangebracht worden.” Anne: “Daar zijn nog steeds streng in, hoor, al zijn wedstrijdroeiers tegenwoordig zó gemotiveerd, dat die discipline vanuit henzelf komt.”

‘Voordat de ontgroening begon, moesten alle mannen zich laten kaalscheren’

Na bijna twee jaar hield Cees het roeien voor gezien en was hij vooral bij Virgiel te vinden. Hij herinnert  zich zijn groentijd nog goed.  “Voordat de ontgroening begon, moesten alle mannen zich laten kaalscheren. Vervolgens waren ze twee weken lang het slaafje van de ouderejaars. Je mocht pas naar huis als dat werd gezegd. We waren vooral druk met het leren van liederen.” Ook werd een eigen jaarlied geschreven. Dat van opa Cees begon met de woorden ‘Jaffa foetsie’, refererend aan de barakken op de Jaffalaan. “Rond die tijd (1958) werden de houten leslokalen afgebroken en kreeg de campus — zoals Anne die nu kent — vorm. Aan het einde van mijn studie startte ook de bouw van Elektro. Ik vind het nog steeds een van de mooiste gebouwen op de campus.”
Daar is Anne het niet mee eens. “Ik heb een bachelor bouwkunde afgerond en vind Bouwkunde echt het mooiste gebouw op de campus. Vooral de bibliotheek, daar heb ik flink wat uren doorgebracht.”

Studiedruk
Opa Cees deed zeven jaar over een studie waarvoor vijf jaar stond. “Ik zei al, ik herinner me vooral mijn studententijd”, lacht hij.
Anne: “Ik denk eerlijk gezegd dat ik een beetje hetzelfde ga doen, opa.”
Opa: “Ja, maar voor jullie is de studiedruk veel hoger. De maatschappij verwacht meer en studenten zelf zijn erg bezig met hoe iets op hun cv staat.”

Anne: “Klopt, ik heb tijdens mijn bachelor veel commissiewerk gedaan. Op een gegeven moment deed ik zelfs zoveel dat ik een beetje gek werd. Nu, tijdens mijn master, gaat mijn studie wel echt voor. Ik heb ook geen tijd om iets anders ernaast te doen.”
Opa: “En Virgiel dan? Hebben jullie borrelclubjes waar je iedere week naartoe moet?”
Anne: “Niet meer. Als je echt actief wilt blijven, word je lid van een dispuut.”
Opa: “Bij ons had je borrelclubs. Aangezien mijn jaargenoten en ik de pest hadden aan gedwongen gedoe, hebben we  een eigen clubje opgericht: De Blauwe Knoop. Bij ons werd natuurlijk wel gedronken.”

In de genen
Tijdens familiebijeenkomsten spreken Cees en Anne weinig over de TU Delft, maar nu rollen de anekdotes over tafel. Cees: “Ik vind het heel leuk dat Anne ook in Delft zit, maar geniet vooral van onze overeenkomsten. Zo schrijven we graag en hebben we een voorliefde voor techniek.”
Anne: “Iedereen brengt altijd kapotte apparaten bij jou, omdat je zo handig bent!”
Cees: “Ja, maar toen ik vanochtend bij jou was, wees je me trots het koffiezetapparaat aan dat je gerepareerd had. Jij vindt dat ook leuk!”

Ondertussen luistert oma aandachtig. Ze vindt het leuk dat Anne haar leven in Delft deelt met haar grootouders. Helaas miste Anne de meest recente lustrumreünie van Virgiel. Oma ging wél, samen met haar echtgenoot. Ze genoot ervan om terug te zijn op de vereniging. “Toen de jaarliederen werden gezongen, deed ik spontaan mee. Ik kende bijna alle woorden nog”, vertelt ze trots. “Het was een leuke tijd!”