Column: Van den Doel
Werkplezier
Werkplezier is voor iedereen anders, stelt werkplezier-goeroe Luc Mutsaers. Maar ik kan me goed vinden in zijn voorbeelden. Volgens hem houdt werkplezier in dat je waardering krijgt voor je inzet en productie. Deze goeroe is er ook van overtuigd dat iedereen met weinig moeite veel meer plezier op zijn werk kan hebben. Nou, daar ben ik wel aan toe. Voor mij is bijvoorbeeld het hebben van een contract en salaris een onderdeel van die waardering voor inzet en productie. En ik kan je wel vertellen dat het niet makkelijk is om dat aan de TU met weinig moeite te regelen. Zelfs als het allemaal al lang en breed is vastgelegd en afgesproken binnen het management-traineeship-traject.
In mijn pogingen om niet meer contractloos als een soort bevestiging zoekend weesje naar mijn werk te hoeven komen, kwam ik achter nog een belangrijke invulling van werkplezier: ‘het hebben van collega´s die u helpen als dat nodig is en interesse tonen.’ Die waren ook even een tijdje ver te zoeken bij mijn speurtocht door het human resources-domein.
Ik begon mijn zoektocht (na ettelijke missers met betrekking tot het spaarloon, salaris en vakantie-uren) gewoon met een vriendelijk verzoek voor bevestiging van mijn werkzaamheden in de vorm van een contract (in oktober aangevraagd, maar nu in februari nog steeds niet ontvangen). Mijn speurtocht eindigde in boze mails, onvriendelijke telefoontjes en aangesproken leidinggevenden. Niet mijn standaard werkwijze. Natuurlijk had ik op dat moment echter al hoge stresslevels door deadlines, vervelende opdrachten en allerlei andere missers. En die voedden de vicieuze cirkel van onvriendelijke verzoeken en antwoorden.
Een goede raad van het boek over werkplezier is: ‘stem uw gedrag af op meer werkplezier, want dat begint bij u.’ Weet je wat, daar begin ik graag mee, maar daar kan ik soms wel een klein beetje hulp bij gebruiken. Niet om nu meteen op slechte voet te komen staan, maar voor allen die mij in mijn speurtocht gewezen hebben op het feit dat er niet zulke hoge verwachtingen gekoesterd moeten worden (‘de TU is tenslotte het bedrijfsleven niet’) heb ik een goede raad: ‘ja, met zo’n instelling blijf je zwakzinnig’. (Hans Teeuwen)