'Buiten de wetenschap zijn er ook mooie banen'

De wetenschap is helemaal niet in een crisis, zegt geneticus en KNAW-president Hans Clevers. En er is niets mis met de publicatiedruk. Je moet gewoon hard werken en een beetje geluk hebben

Hans Clevers. (Foto: Henk Tomas)
Hans Clevers. (Foto: Henk Tomas)

Hans Clevers moest nog even naar Amerika bellen. Hij zit nu zelf in de jury van de nieuwe Breakthrough Prize van drie miljoen dollar, die hij vorig jaar won. De prijs is in het leven is geroepen door mensen als Sergey Brin van Google en Mark Zuckerberg van Facebook en is een doorgeefprijs: vorige winnaars kiezen de nieuwe winnaars.

Het loopt nog niet helemaal gladjes. Een van de prijzen gaat deze keer naar parkinsononderzoek. “Daar weet ik niet veel vanaf, maar ik miste toch een paar namen in de lijst met genomineerden. We moeten natuurlijk niet de nummer 23 drie miljoen euro geven, alleen omdat de eerste 22 niet zijn genomineerd”, vertelt Clevers.

Het sluit naadloos aan op een gevoelige discussie in de wetenschap over de rat race en de publicatiedruk. Onlangs trok een groep onderzoekers aan de bel. De wetenschap werkt niet zoals het zou moeten, menen zij. Wetenschappers publiceren te veel en de kwaliteit is vaak ondermaats.

Hans Clevers schudt die zorgen van zich af. Hij heeft geen problemen met de rat race. Clevers is president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De Utrechtse hoogleraar heeft wereldwijd een grote reputatie en won allerlei prijzen. Hij ontdekte de stamcel van de lever en onderzoekt hoe darmkanker ontstaat. Hij kijkt niet bepaald met medeleven naar de wetenschappers die iets lager in de pikorde staan. “Je wordt ook niet zomaar Epke Zonderland. Daarvoor zul je hard moeten werken, en dat geldt in de wetenschap ook.”

In de wetenschap borrelt intussen de onvrede. Het Rathenau Instituut houdt binnenkort de bijeenkomst 'Crafting your career', over de problemen waar jonge wetenschappers tegenaan lopen. Daar zal Clevers ook spreken.

Maar van een ‘wetenschap in crisis’ wil hij niets horen. “Het valt hier wel mee. In Amerika is de druk veel hoger. Een hoogleraar aan Harvard krijgt geen salaris van Harvard. Hij moet zijn funding zelf bemachtigen. Tegenwoordig is er minder geld voor onderzoek, dus de druk stijgt enorm. Nog maar vier à vijf procent van de projectaanvragen wordt gehonoreerd. Als het niet lukt om geld te werven, zien de hoogleraren de kring van medewerkers om hen heen steeds kleiner worden, tot ze zelf hun baan verliezen. Dat geeft een existentiële angst.”

Hier krijgen universiteiten het grootste deel van hun geld rechtstreeks van de overheid. Vergeleken met de VS zijn nog veel wetenschappers in vaste dienst, vindt Clevers. Hijzelf bijvoorbeeld. “En nog drie anderen in mijn onderzoeksgroep. Daaromheen is een schil van zo’n twintig tot 25 tijdelijke onderzoekers: promovendi en postdocs.”

En zo hoort het ook. Dat er in de wetenschap geen plaats is voor al die jonge onderzoekers? Dat ze uiteindelijk bijna allemaal naar een andere baan moeten omkijken? Dat is helemaal niet erg. “Ik heb laatst een reünie gehouden met al mijn promovendi. Die hebben allemaal interessante banen gekregen. Een paar werken aan een universiteit, maar veel zijn naar het bedrijfsleven, de overheid of het onderwijs gegaan.”

En waarom ook niet? “Ik zou mijn eigen zonen geen carrière in de wetenschap aanraden. Het is behoorlijk onzeker, je moet hard werken, er is enig talent voor nodig en je moet ook een beetje geluk hebben. Mijn promovendi heb ik altijd verteld dat er buiten de wetenschap ook mooie banen zijn. Dat zouden universiteiten tijdens de promotieopleiding meer moeten onderstrepen.”

Maar bagatelliseert hij nu de publicatiedruk? De laatste acht jaar is het aantal Nederlandse publicaties met zestig procent toegenomen. Is dat niet wat overdreven? Maar nee, Clevers vindt van niet. “Er zijn meer tijdschriften van voorheen en de omvang van de Nederlandse wetenschap is ook toegenomen. Er is veel extra geld uit de aardgasbaten aan onderzoek besteed en dat ging bijna allemaal naar promovendi. Die publiceren veel, want die willen zich onderscheiden van anderen.”

Er valt domweg niets aan te doen, is zijn slotsom. De ratrace was er altijd en zal ook altijd blijven. Dat ligt niet alleen aan de financiering, maar ook aan ambitie. “Je wilt nu eenmaal de eerste zijn die een bepaalde ontdekking doet. Het is niet leuk om telkens de tweede te zijn.”

Natuurlijk kan niet iedereen briljant onderzoek doen. “Er zijn genoeg artikelen van dertien in een dozijn. Veel papers in matige journals publiceren heeft eigenlijk weinig zin, en je zou ook niet tegen promovendi moeten zeggen dat ze minstens vier artikelen moeten schrijven.”

En soms kijkt hij met enige verbazing naar andere disciplines die er vreemde mores op nahouden. “In de klinische geneeskunde publiceren wetenschappers vaak in tijdschriften met een lagere impact. Bij hen draait het meer om de aantallen. Daardoor krijg je oneigenlijk gedrag: ze willen graag als tweede auteur worden opgevoerd. In mijn vakgebied wordt je uitgelachen als je zo nodig als coauteur wilt worden genoemd, terwijl je geen wezenlijke bijdrage aan het artikel hebt geleverd. Het werkt echt tegen je als je een stuk of zestig van zulke publicaties op je cv hebt staan.”

Wel snapt hij de klacht dat wetenschappers geen riskant onderzoek meer durven te doen, omdat er misschien geen publicaties uit rollen als je mis schiet. Het is jammer als nieuwsgierigheid moet wijken voor zekerheid, erkent hij. “Maar dat is van alle tijden. Als je de grote vraag niet stelt, krijg je ook geen grote antwoorden. Zo gaat dat.”

Er zijn altijd wetenschappers van de grote sprong en andere wetenschappers die de gaatjes opvullen, meent hij. Zelf is hij toevallig “meer van de eerste soort”. Maar eigenlijk is het een valse tegenstelling. “De slimste onderzoekers wedden op twee paarden: ze doen risicoloos onderzoek, maar ook een grote gooi. In Amerika spreken ze van ‘bread and butter’- onderzoek en long shots. Je moet brood op de plank krijgen, maar je moet ook leuke dingen doen.”

Toegegeven, er duiken de laatste tijd veel fraudegevallen op, maar die stellen niets voor in het licht van de hele Nederlandse wetenschap. Met toegenomen druk heeft het in elk geval niets van doen. Alhoewel: “Ook in de sociale psychologie, het vakgebied van Diederik Stapel, lag er een grote nadruk op het volume: hoe meer artikelen, hoe beter. Dat vakgebied is zich nu aan het bezinnen hoe de kwaliteit van het onderzoek weer omhoog kan, want het systeem was niet op orde. Maar dat probleem kun je niet aan de hele wetenschap opdringen.”

Wel vindt hij dat er betere manieren zijn om een wetenschapper op waarde te schatten dan het aantal publicaties in toptijdschriften turven. “We praten er nu over om in onderzoeksevaluaties te vragen naar de vijf publicaties waar iemand het meest trots op is. Dat hoeven niet eens de vondsten met de hoogste impact te zijn. Je moet dan wel kunnen uitleggen waarom je er zo trots op bent.”

Want dat is hij met de critici eens: wetenschappers moeten meer doen om zich aan de samenleving te verantwoorden. “Het is niet meer van deze tijd om te zeggen: betaal me nou maar, dan doe ik mijn hobby. Er zijn in Nederland nog heel veel wetenschappers die helemaal niet hoeven te vertellen waarom ze doen wat ze doen. Toen ik begon was dat misschien wel de helft van alle onderzoekers, nu schat ik dat het om zo’n tien tot twintig procent gaat.”

Heeft hij niet makkelijk praten? Hij kan op patiënten wijzen en iedereen zal snappen wat het nut van zijn onderzoek is. Maar dat wimpelt hij weg. Anderen moeten het ook kunnen, ongeacht hun vakgebied. Sterker nog, ze slagen erin. “Kijk eens naar natuurkundigen. Die hebben de handen ineen geslagen en met een enorme deeltjesversneller naar het Higgs-deeltje gespeurd, waar net de Nobelprijs voor is toegekend. Dat Higgs-deeltje heeft geen maatschappelijke waarde en het publiek zal nooit snappen wat er precies is gevonden, maar de onderzoekers konden toch uitleggen waarom ze het wilden doen. Ze hebben miljarden gekregen. Alfastudies kunnen ook een goed verhaal vertellen: er is grote belangstelling voor de kunstgeschiedenis en letterkunde. Of neem archeologie: waarom zouden archeologen niet over hun opgravingen kunnen vertellen?”

En mochten critici beweren dat wetenschappers geen tijd overhouden voor het onderwijs, dan moeten ze eens naar de opleiding geneeskunde kijken. “Die is veel beter geworden. Ik kreeg les in een collegezaal met driehonderd studenten. Nu zitten ze allemaal in kleine werkgroepen. Ik zag in de eerste vier jaar van mijn opleiding geen enkele patiënt. Nu gebeurt dat al in het eerste jaar.”

Het is overigens een kwestie van cultuur dat de beste hoogleraren in Nederland geen les geven aan eerstejaars. “Ik heb het zelf ook nooit gedaan.” Het zou best anders kunnen. In Oxford of Cambridge is meer aandacht voor onderwijs. Elke wetenschapper heeft een groep van pakweg tien studenten onder zijn hoede die elke week langs komen. “Ja, daar zouden we nog veel van kunnen leren.”

Als studenten klagen over het onderwijs, komt dat volgens hem niet door de docenten van wie ze les krijgen. Die zijn wel goed, meent hij. Nee, het is vooral de wildgroei aan opleidingen die een probleem vormen. “Op de zoveelste variant van communicatiewetenschappen met zes contacturen in de week zit niemand te wachten. Daar klagen studenten terecht over. Uit enquêtes bleek dat ze soms nauwelijks konden vertellen wat ze geleerd hadden. Nou, dat heb je niet na afloop van een opleiding als rechten of geneeskunde. Maar kijk, universiteiten krijgen geld op basis van het aantal studenten dat ze trekken en hoeveel ze met een diploma afleveren. Dan krijg je zulke opleidingen, en klachten over het onderwijs. Dat komt niet door de publicatiedruk.”

De Rathenau-bijeenkomst ‘Crafting your career’ is op 30 oktober in Utrecht. Deelname is gratis.


Publiceren kun je leren
Wie de cijfers bekijkt, concludeert al snel dat de Nederlandse wetenschap uitstekend presteert. Volgens de laatste monitor ‘OCW Trends in beeld’ worden er uitzonderlijk veel artikelen gepubliceerd die bovendien opvallend vaak geciteerd worden door collega’s. Tussen 2004 en 2012 steeg het aantal publicaties met 59 procent en ook de citatie-impact score is opvallend: die ligt 47 procent hoger dan het mondiale gemiddelde.

Toch concludeerden vier toonaangevende hoogleraren onlangs dat er van alles mis is met de wetenschap. Onderzoekers staren zich blind op publiceren in toptijdschriften en vergeten en passant wat echt belangrijk is: een rol spelen in het maatschappelijk debat. In het pamflet ‘Waarom de wetenschap niet werkt zoals het moet, en wat daar aan te doen is’ uiten de wetenschappers daarnaast kritiek op de ‘promovendifabrieken’ die universiteiten zijn geworden. “We leiden massaal op tot een doctorstitel maar de kans op een bevredigende onderzoeksbaan of een nette universitaire carrière daarna is klein.”

Uit CBS-cijfers blijkt dat slechts twintig tot dertig procent van de gepromoveerden een volgende stap kan maken in zijn wetenschappelijke carrière. De rest komt, niet zelden tegen wil en dank, ergens anders terecht. Niet alleen vervelend voor de promovendi, er schuilt nog een ander gevaar, waarschuwt het pamflet: “Door een eenzijdige oriëntatie op de promotiefabriek dreigt de universiteit aan haar echte taak, risicovol lange termijn onderzoek, niet meer toe te komen.”


Hans Clevers
Arts en geneticus Hans Clevers (1957) is sinds 1 juni 2012 president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In de tien jaar daarvoor was hij directeur van het Hubrecht Instituut. Op dit moment is hij nog hoogleraar moleculaire genetica aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

Clevers onderzoekt de gezonde en zieke darm. Hij ontdekte dat er veel overeenkomsten bestaan tussen de normale vernieuwing van darmweefsel en het ontstaan van darmkanker. Ook wist hij uit individuele stamcellen ‘minidarmpjes’ te kweken.

De KNAW-president ontving de afgelopen jaren tal van prijzen voor zijn onderzoek, waaronder de Spinozaprijs (2001), de Louis-Jeantet Prijs (2004), de Josephine Nefkens Prijs voor Kankeronderzoek, de Meyenburgprijs (beide in 2008), de Kolff-prijs, de Ernst Jung Medical Award en de Léopold Griffuelprijs (alle in 2011). In 2012 werden hem de Léopold Griffuel Prijs, de William Beaumont Prijs en de prestigieuze internationale Heinekenprijs voor de Geneeskunde toegekend. Ook werd hij benoemd tot Chevalier in het Franse Légion d'Honneur en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.